Gebedsgroep

“HET  CENAKEL”

Waregem

BIJ   ZIEKTE ...*

 

In  de leer bij de  Heiligen

 

 

* Oorspronkelijke uitgave:        DANS  LA  MALADIE             …à l’école des Saints

                                                                                               Centre St. Jean de la Croix

                                                                                          F-36230  Mers-sur-Indre (Frankrijk)

 

Auteur : Abbé Max Huot de Longchamp

 

Vertaling : Hilaire Mestdag, Waregem

 

 

 

 

 

 

     In de school der Heiligen, 60 teksten om als mens en als christen te groeien wanneer de ziekte zich aanmeldt in ons leven.

 

 

 

 

    

 "Wandel in eenvoud en vertrouwen. Voor u bestaan in deze wereld alleen God en gijzelf.  Al de rest moet u niet raken, tenzij in de mate dat God het u gebiedt, en zoals Hij het u gebiedt.

     

      Ik bid u, kijk niet her en der, houd uw blik vast ge­richt op God en uzelf.  Nooit zult gij God zien zonder goed­heid, noch uzelf zonder ellende, en gij zult Gods goedheid genadig ervaren voor uw ellende, en uw ellende als het voor­werp van zijn goedheid en mededogen. Zie naar niets anders om, en bezie al de rest slechts terloops, "en passant".

                                     H. Franciscus van Sales

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2

 

 

 

 

 

VOORWOORD

 

      "De zieken en de heiligen zijn lieden die God niet gerust laat", zei Paul Claudel. Het was normaal dat de zieken, in de collectie "In de Leer bij de Heiligen" de plaats kregen die hun, bij die heiligen, toekomt.

     

       De ziekte of de zwakheid onder al hun vormen nodigen dikwijls uit tot lectuur en inkeer.  De tijd, die schijnbaar verkwist wordt in ledigheid en afhankelijkheid, kan gewonnen tijd worden, een gelegenheid tot verdieping, een waarachtige geestelijke retraite. Het zestigtal teksten, verzameld in dit boekje, komt de vragen tegemoet, die alle lijdende mensen zich spontaan stellen: Waarom laat God dit toe? Waar heb ik dat verdiend? Is geluk nog mogelijk? Hoe moet je bidden als je ziek bent? En zoveel andere vragen die onze vrienden, de heiligen, lang vòòr ons, hebben getrotseerd.

 

     Mogen deze bladzijden u, zieke vrienden, of u die enkel eenvoudig bezorgd zijt om de soms onthutsende wil van God  beter te begrijpen en te aanvaarden, helpen om de beproe­ving, welke ook, te beleven, als een mooi avontuur dat u in mense­lijke en christelijke zin zal doen groeien!

 

                 Max Huot de Longchamp

 

 

 

 

 

 

 

     Wanneer pijn en ziekte ons deel zijn, vergeten wij al te vaak dat zij ons eerst en vooral gegeven werden om onze licha­melij­ke gaafheid en ons welzijn te beschermen en te behouden of te herstellen. Zonder de pijnzin, zonder de ziekte en het gene­zingsproces ware de mensheid er bar slecht aan toe! Wel is het erg en doodjammer dat de mensen, dat wijzelf, soms zo roekeloos omspringen met dat meesterwerk van subtiele werkingen die onze heelheid doen ontstaan, ontwikkelen en bestendigen tot een kostbare staat van volmaaktheid, die wij nonchalant "gezond­heid" noe­men. Misschien heeft die soms ronduit misdadige nonchalance (wat te denken over langdurig roken, overdaad, chemische ver­vuiling, pesticiden?...) ons fysisch potentiaal zelfs voor generaties gehypothekeerd ?  Worden niet vele moderne ziekten en kwalen terecht daaraan geweten ?                         

      Nadat wij eerst orde hebben gebracht in onze soms roeke­loze levenswij­ze, kunnen wij ons met meer inzicht en eerlijk­heid bezinnen over ons probleem : Hoe gaan wij, "in de school van de heiligen", om met de ziekte, die ons van waar ook (leefwijze? leeftijd? levensomstandigheden?...) komt toege­waaid, die maar schoorvoetend of soms niet wil opkramen, en die wij hoe dan ook moeten doormaken, ja zelfs aanwenden ten goede ?

                                                  De vertaler

 

 

 

 

 

 

 

 

3

 

I  -  HET LIJDEN IS EEN MYSTERIE

 

Waarom laat God dit toe ?

 

     " Houd het voor zeker dat wat God u toezendt een bood­schap is van liefde en vrede, hoewel het er uitziet als een wrede oorlogsverklaring en een straf. Het is als vissen op grote vis : Hij bewerkt u om u te vermoeien, niet omwille van de vermoeidheid, want God is Vader, en Hij houdt er niet van om u te zien lijden, maar opdat gij, ziende dat gij uitgeput zijt, bij Jezus zoudt gaan rusten, en door Hem met open armen ont­vangen worden. En dan zal Christus u zeggen: "Het is opdat gij zoudt genieten van deze omhelzing dat Ik u die straf heb toegezon­den. En om u te genezen in wat het voornaamste is, heb Ik u gekwetst in wat er minder belangrijk is en met wat u gram­schap toeschijnt, laat Ik u genieten van mijn barmhartig­heid."

                         H. Jan v. Avila (1499-1569), Brief 14

 

     Ja, God houdt teveel van ons, om ons niet te verplichten in Hem te vluchten, wetende dat wij dààr het geluk zullen vinden:

 

     " Ik verblijf in de zuivere ziel als in een paradijs van alle geneugten, Ik kan dan niet dulden dat zij haar liefde of haar genot vindt in enig schepsel. Haar natuur drijft haar naar schadelijke genoegens. Ziedaar waarom Ik haar weg bezaai met doornen, alle uitgangen blokkeer met tegenslagen, of zij er genoegen in vindt of pijn, opdat zij Mij niet zou ontsnappen. Ik bestrooi met lijden al haar wegen, opdat de vreugde van haar hart alleen toegang zou vinden in mijn sublieme goddelijke natuur.

 

    Zie, als alle harten zich zouden verenigden in één hart, dan zouden zij, in de tijd, de minste van de beloningen niet kun­nen ve­rdragen die Ik, in de eeuwigheid, wil geven in ruil voor het minste beetje lijden dat men voor Mij geleden heeft."

 

 Zal. Henk Suso (1295?-1366), Boek v.d. eeuwige Wijsheid, XIII

 

Is het een straf ?

 

     Is de ziekte een straf ? Duizendmaal gestelde vraag, die God een weinig sympathiek voorkomen geeft, in elk geval ver verwijderd van dat van een Vader die waakt over zijn kinderen. Waarom laat Hij dan onze beproevingen toe, in het bijzonder die van de ziekte ?  In een dialoog tussen de zieke en zijn vertrooster toont de Jezuïet Binet ons in de XVIIe eeuw met een wat provocerende humor dat al ons ongeluk veroorzaakt wordt door het feit dat we, sedert de val van Adam en Eva, de vaderlijke hand van God niet meer kunnen herkennen wanneer de dingen ons niet meer aan­staan.

 

     De zieke: Waarom laat God toe dat goede mensen ziek zijn ?

 

     De trooster: Een goed mens is nooit ziek, en als hij klaagt dat hij ziek is, is hij daarin geen goed mens. Is het slecht dat men in de staat verkeert die God heeft beschikt ?  Is het een goed mens zijn als men de besluiten van God onder­zoekt en Hem een onvriendelijk rekwest betekent, om Hem zijn arrest te doen herzien ?

 

     Weet gij waarom God zijn goede dienaren en zijn beste vrienden met ziekte treft ?  Het is omdat Hij ze bemint, Hij wil hun deugd laten blijken, en hen laten oefenen in de praktijk. De deugd is nooit erg stevig, tenzij zij het moeilijk heeft.  De wereld bemint maar slapjes, gelijk de moeders die altijd kinderen aan hun hals hebben hangen, altijd uit op hun melk en aan de borst, en gevoed met alle lekkers.  God, integendeel, bemint als een vader, met mannelijke en strenge liefde. Hij verwent zijn kinderen niet, Hij voedt ze met het merg van de leeuw, met ijzerkoeken, met angstperen, maar boetseert ze met ge­streng­heid en

4

 

verhardt hen zo tegen het kwaad, en laat hen mannelij­ke deugd oogsten, de eeuwigheid waardig.

          Et. Binet (1569-1639), Troost en Verheugen..., hs. 1

 

  “En toch is het mijn schuld !”    

 

     Omdat ik teveel gedronken heb, teveel gegeten, teveel gerookt... En dan nog ?  Voor God staat daar geen beschamende ziekte, maar enkel een gekwetst kind, dat van zijn Vader troost en verzorging verwacht.

 

     De zieke: Helaas !  Wat mijn hart breekt is, dat het door mijn schuld is dat ik hier ziek

 ben !

 

     De trooster:  O wat brave en gelukkige schuld, als ze  u naar het paradijs kon brengen !  De goede moordenaar kwam door zijn schuld aan het kruis, hij verdroeg dat gelukkig ongeluk ver­duldig, en waar hij er het leven bij verloor, won hij per geluk het paradijs. Gij waart verloren, zo gij niet verloren geweest waart !  Gij hebt, zo zegt gij, uw gezondheid en uw krachten verspeeld door uw schuld ? O rijk verlies, als het u de kroon van geduld en de diadeem der glorie laat toekomen ! Gods voorzienigheid heeft die val toegelaten om uw ziel weer op te bouwen, waar zij heel overhoop lag !

 

     Is die ziekte door uw schuld ?  Beken het dan, en als penitentie, verdraag in vreugde  wat  gij  moet dragen, en God zal meteen tevreden zijn !   Is zij niet uw schuld ?  Troost u, zij is dus een geschenk uit de hemel ! Vermits  God  u hier beneden corrigeert, heeft  Hij  niet veel zin om u in het hiernamaals pijn te doen !  De ziekten, vanwaar zij ook komen, zijn de gewone koeriers van de hemelse gunsten, Gods voorposten. Hij zal weldra zelf ver­schijnen, gezeten aan uw sponde, en Hij zal u teder omhelzen, Hij zal uw zweet en tranen drogen, Hij zal u bevrijden om u een plaats te geven tussen de prinsen van zijn hofhouding, en u de diadeem van glorie opzetten, uw korte verduldigheid bekro­nen met de eeuwigheid van zijn gunsten.

 

       Etienne Binet (1569-1639), Troost en Verheugen... hs. 2,III

 

 

 Een gelegenheid tot bekering.       

 

     Vermits God ons niets verwijt, waarom dan, in de plaats van onvruchtbare spijt te kweken, niet van die beproeving een gelegenheid tot bekering maken, zelfs al was zij onze schuld ?

 

     " Heer, Gij hebt mij de gezondheid geschonken om U te dienen, maar ik heb er een volledig werelds gebruik van ge­maakt. Nu zendt Gij mij de ziekte om mij te verbeteren. Laat niet toe dat ik die gebruik om U te ergeren door mijn ongeduld. Ik heb mijn gezondheid slecht gebruikt, en Gij hebt mij daarvoor terecht gestraft. Duld niet dat ik uw straf slecht gebruik.  En vermits de verdorvenheid van mijn natuur zo groot is, dat die uw gunsten voor mij in schade doet verkeren, verleen, o mijn God, dat uw almachtige genade uw straf­fen voor mij heilzaam maken. Als mijn hart, zolang het enige kracht had, vol liefde was voor de wereld, vernietig dan die kracht tot mijn heil, en maak mij onbekwaam om van de wereld te genieten, hetzij door de zwakheid van mijn lichaam, hetzij door liefde gedreven, om alleen van U te genieten.

 

     Maak van mijn lijden een gelegenheid tot mijn redding en bekering. Dat ik voortaan alleen leven en gezondheid moge verlangen om deze te gebruiken en te voleinden alleen voor U, met U en in U. Ik vraag U noch gezondheid, noch ziekte, noch leven, noch dood, maar dat Gij beschikt over mijn gezondheid en mijn ziekte, mijn leven en mijn dood, tot uw glorie, tot mijn redding en tot nut van de Kerk en van uw Heiligen, waarvan ik, bij uw

 

5

 

genade, verlang deel uit te maken. Gij alleen weet wat voor mij voordelig is, Gij zijt de soevereine meester,  doe wat Gij wilt.

 

Geef mij, ontneem mij, maar maak mijn wil gelijkvormig aan de uwe, en

dat ik, in nederige en volmaakte onderwerping  en in heilig vertrouwen bereid zou zijn de bevelen van uw eeuwige V­oorzienigheid te aanvaarden, en dat ik eveneens moge aanbidden wat mij van U toekomt."

 

      Blaise Pascal (1623-1662), Gebed voor het goed Gebruik van de Ziekten, II en XIII

 

 

“Maar waar is God gebleven ?”   

 

     Onze eerste reactie in de beproeving is dikwijls dat wij denken dat God ons minder graag ziet... Neen, laten wij ervan  bewust worden dat de beproeving, omdat zij ons associeert met de gekruisigde Jezus, in elke opzicht een keuze van God is, een roeping, zelfs indien die keuze altijd veeleisend is, en altijd een kruisiging:

 

     " God bekijkt u individueel, wie je ook bent.  Hij "roept u bij uw naam". Hij ziet u en begrijpt u even goed als Hij u heeft gemaakt. Hij weet wat er in u is, al uw eigen persoonlijkste gevoelens en al uw gedachten, beschikkingen en neigin­gen, uw kracht en uw zwakheid. Hij ziet u op de dag van uw vreugden en op die van uw verdriet.  Hij voelt mee met uw hoop en in uw bekoringen. Hij stelt persoonlijk belang in al uw ongerustheid en in al uw herinneringen, in al de verheffingen en in al de neerslachtigheden van uw geest. Hij heeft zelfs de haren op uw hoofd geteld en de ellen van uw gestalte, Hij omgeeft u met medelijden en draagt u in zijn armen. Hij neemt u op en zet u neer. Hij merkt de subtiele manier op waarmee gij u gedraagt tussen de glimlach en de tranen, bij gezondheid en bij ziekte. Hij let met tederheid op uw handen en uw voe­ten. Hij hoort uw stem, het kloppen van uw hart en zelfs uw ademhaling. Gij, gij bemint uzelf niet zozeer als dat Hij u bemint. Gij kunt niet meer afschuw hebben voor de pijn dan dat Hijzelf heeft u te zien lijden... Je bent niet alleen zijn schepsel, hoewel Hij zorgt voor zelfs de kleinste mussen en medelijden heeft met het vele vee van Ninive - vraag het de profeet Jonas ! – Je bent een vrijge­kochte en geheiligde mens, zijn aangenomen kind, begunstigd met die mate van luister en zegen, die eeuwig van Hem afvloeit op zijn enige Zoon. Je bent uitverkoren om de zijne te zijn.  Dat ben je,  zelfs mèèr dan onze broeders die in oost en zuid wonen. Je bent één van zijn leerlingen, voor wie Chris­tus zijn laatste gebed (zie Joh. 17) heeft opgedragen, dat Hij heeft bezegeld met zijn bloed."

 

         John Henry Newmann (1801-1890), geciteerd door Denys Gorce,

 Introduction à Newmann

 

 

“Is God mij soms vergeten ?”          

 

     "Werp uw zorgen op de Heer, stel uw hoop op Hem, en Hij zal de rest doen. Waarom bezorgd zijn om uzelf  ?  Waarom zelf in uw behoeften voorzien ?  Dat Hij, die u geschapen heeft, er zorg voor draagt !  Hoe zou Hij, die voor u zorgde vooraleer gij be­stond, niet voor u zorgen, nu gij  zijt wat Hij wilde dat gij zoudt zijn ?  Want gij maakt deel uit van de getrouwen en gij gaat de weg der gerechtigheid. En Hij zou niet voor u zorgen, Hij, die de zon laat opgaan over goeden en kwaden, en het laat regenen over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen ? Als gij dan gerechtigd zijt omdat gij leeft door het geloof, zou Hij u dan verwaarlozen, verlaten of verwerpen?

 

 

 

 

6

 

 

     De Heer zorgt voor u, wees daarvan verzekerd !  Hij die u geschapen heeft draagt u. Waak er alleen over dat gij niet uit zijn hand valt, want zo gij uit de hand van Hem die u heeft geschapen, zoudt vallen, zoudt gij breken... Werp u in Hem, denk niet dat het verloren is, alsof gij u in de leegte zoudt stortten. Moge dat niet in uw gedachten komen, want Hij die gezegd heeft: " Ik vervul de hemel en de aarde" zal u nooit ontbreken."

 

            H. Augustinus (354-430), Commentaar op ps. 39,27

 

     Die aandacht van God voor ons, op elk ogenblik, dat is  de Voorzienigheid.  Wij moeten leren om de minste gebeurtenis­sen van ons bestaan te zien in het licht van die Voorzienig­heid, die ze hun diepe waarheid schenkt.

 

     "Al onze haren zijn geteld, en er valt er niet één zonder de toestemming van onze Vader in de hemel." Is er iets zo onbe­nullig als de val van één van onze haren ?  Nochtans denkt God eraan. Des te meer, “heb ik  honger, God denkt eraan, heb ik  dorst, God denkt eraan, vat ik een werk aan, God denkt eraan, moet ik een  levensstaat kiezen, God denkt eraan, komt men in die staat zekere moeilijkheden tegen, God denkt eraan,  heb ik om die bekoring te weerstaan of deze plicht te vervullen die genade nodig, God denkt eraan, in de loop van mijn reis naar de eeuwigheid, behoef ik het dagelijks brood voor ziel en lichaam, God denkt eraan, wanneer mijn laatste dagen er zullen aankomen zal ik een verdubbeling van genaden nodig hebben, God zal eraan denken, nu lig ik op mijn sterfbed, bij mijn laatste zucht ben ik verloren, tenzij iemand mij te hulp komt, God denkt eraan."  En ik, die slechts een onbetekenend atoom ben in de wereld, bezet zo dag en nacht, zonder ophouden en overal, de gedachte en het hart van mijn Vader die in de hemel is. O, wat is die waarheid van het geloof diep treffend en vol sterk­te !

 

     Maar hoewel de Voorzienigheid zelf haar plannen met mij smeedt, dan vertrouwt zij de uitvoering ervan, minstens voor een groot deel, toe aan bijkomende middelen. Zij gebruikt de zon, de wind, de regen. Zij zet de hemel en de aarde in beweging, de gevoelloze elementen en de intelligente middelen. Maar vermits de schepselen slechts vat hebben op mij voor zover Hij ze er geeft, moet ik in elk van hen een vangbekken van de Voorzienigheid zien en het instrument van zijn plannen. Bijgevolg, "in de kou die mij overvalt, zal ik de Voorzienig­heid ontdekken, in de hitte die mij opzet, de Voorzienigheid, in de wind die blaast en mijn schip ver van of dicht bij de haven duwt, de Voorzienigheid, in het succes dat mij bemoe­digt, de Voorzienigheid, in de tegenspoed die mij op de proef stelt, de Voorzienigheid, in die mens die mij leed doet, de Voorzienigheid, in die andere die mij genoegen doet, de Voor­zienigheid, in die ziekte, in die genezing, in die wending die de openbare zaken nemen, in die vervolgingen, in die triomfen, de Voorzienigheid, steeds de Voorzienigheid."  Niets is meer terecht dan zo God te zien in alles, en hoe rustgevend en heiligmakend is die manier van doen!"

 

  Dom Vital Lehodey (1857-1948), De Heilige Overgave, II,hs. 2 

 

     Waarom zijn wij het dan zo dikwijls oneens met de Voorzienigheid ?  Dat is heel het drama van de erfzonde !  Maar het is juist opdat wij er niet aan zouden ten onder gaan, dat God onze wil weer rechtzet, spijt onze tegenstand, zonder onze mening te vragen:

 

     " De Voorzienigheid geeft harde klappen, en onze natuur beklaagt zich. Onze passies koken, de hoogmoed verleidt ons, onze wil laat zich meeslepen. Diep gekwetst door de zonde, gelijken wij op een zieke met een lidmaat aangetast door gangreen.  Wij zien wel dat er alleen heil voor ons ligt in een amputatie, maar wij hebben niet de moed om die met eigen hand uit te voeren. God, wiens liefde geen zwakheid kent, wil ons wel deze pijnlijke dienst bewijzen. Bijgevolg zal Hij ons onvoorziene moeilijkheden toezenden.  Dat in de steek gelaten worden, die blijken van min­achting, die vernederingen, een verlies van bezit, een ziekte die ons ondermijnt : Even zoveel instrumenten waarmee Hij het zieke lid

7

 

verbindt, Hij bindt het lidmaat met gangreen af, Hij treft het op de geschikte plaats, Hij snijdt, Hij steekt diep in het levend vlees. De natuur schree­uwt het uit, maar God luistert er niet naar, omdat die ruwe behandeling de gezondheid betekent, het leven. Die kwalen, die ons van buiten toekomen, worden gezonden om wat zich binnen verzet neer te slaan, om perken te stellen aan onze vrijheid die verdwaalt, een rem op onze passies die kwaad worden. Ziedaar waarom God toelaat dat van overal hinderpalen

opkomen voor onze plannen, dààrom zitten onze bezigheden vol stekels, genieten wij nooit van die zo verlangde rust, doen onze meerderen dikwijls echt het tegendeel van wat wij willen, dààrom heeft onze natuur zoveel zwakheden, hebben de zaken zoveel vervelends, de mensen zoveel onbillijks, hun humeur zoveel storende wisselingen. Wij worden links en rechts door duizenden verschillende tegenkantingen aangeval­len, opdat onze wil, op die manier geoefend, geperst, van alle zijden afgepeigerd, zich eindelijk van zichzelf zou losmaken en alleen nog de wil van God zoeken."

 

     Dom Vital Lehodey (1857-1948), De H. Overgave, II,hs. 4

 

 

 

 

 

 

 

II - IN HET HART VAN DE BEPROEVING

 

 

Wanneer men zich niet erg dapper voelt...

 

     Wanneer men goed in vorm is, acht men zichzelf bekwaam om bergen te verzetten... juist omdat men in vorm is ! Het is eigen aan de vermoeidheid dat zij ons de lust ontneemt om te strijden.  Het is niet door gebrek aan wil, het is eenvoudig  vermoeidheid !  Wel dan, in de plaats van ons schuldig te voe­len, aanvaarden wij rustig dat wij niet beter kunnen :

 

     "Weet dat zwakjes en kleintjes lijden, dat is  : zich zonder veel moed voelen en alsof men door zijn kwaal neergeslagen was, op twee tellen van het op te geven, zich erover  beklagen en in gaan op de opstandigheid van de natuur.  Weet wel, zeg ik, dat dit een heel grote genade is, omdat men dan in nede­righeid lijdt, en met een klein hartje, in plaats van, indien men een zekere moed voelde, een zekere sterkte, een goed voelbare berus­ting, het hart fier zou worden. Ongemerkt zou men heel zelfverzekerd worden, innerlijk hoogmoedig en verwaand, ter­wijl men zich anders zwak voelt en klein voor God, verne­derd en heel beschaamd omdat men zo flauw valt in het lijden.

 

     Dit is een zekere, zeer troostvolle waarheid, goed ver­bor­gen, heel innerlijk en weinig gekend. Herinner u dit tel­kens als gij zoveel leed voelt om de kruisen en smar­ten, en dan ook uw zwakheid voelt, maar toch vasthoudt boven uzelf uit, in vrede en eenvoud, aan alles wat God wil."        

 Jean-Pierre de Caussade (1675-1751), Brief 19 

 

 

Wanneer de pijn te sterk lijkt …

 

     Zolang de beproeving gematigd blijft,  kunnen wij er in de grond mee omgaan. Maar wanneer de pijn ons overweldigt, dringt de onzinnigheid van het lijden zich aan ons op. In een pakken­de

 

8

 

dialoog met Christus (de eeuwige Wijsheid) en zijn discipel (de Dienaar), toont de zalige Suso ons dat het geloof niet echt geloof is, tenzij wij ons volledig overgeven in de armen van onze Vader:

 

     De Dienaar: Heer, het is mogelijk dat het lijden een onmetelijk goed is, maar dan wanneer het niet zo mateloos is, niet zo afgrijselijk en ongehoord.  Heer, Gij alleen kent al de verborgenheden, en Gij hebt alles geschapen naar maat en getal. Gij weet dat mijn lijden elke maat overtreft, dat het mijn kracht te boven gaat. Heer, ik kan niet geloven dat er, in heel de wereld, iemand onophoudelijk heviger pijnen lijdt dan de mijne. Hoe zou ik die verdragen ?  Heer, indien Gij me gewone pijnen toezondt, zou ik ze kunnen lijden, maar ik zie niet hoe ik ooit de uitzinnige pijnen zou kunnen lijden die in het geheim mijn ziel en mijn geest verpletteren, en waarvan Gij alleen de grond kent.

 

     De eeuwige Wijsheid : Iedere zieke denkt dat hij het meest te lijden heeft, iedere arme dat hij de meest berooide is onder allen. Indien Ik u andere pijnen had toegezonden, zou dat hetzelfde zijn. Geef u goedschiks over aan mijn wil in elke pijn die Ik u opleg, zonder die of gene uit te sluiten. Weet gij niet dat Ik slechts uw grootste goed wil, even op­recht als gij dat zelf wilt ?  Ik ben de eeuwige Wijsheid, en Ik weet wat u het best past. Gij moet dan ook ondervonden hebben dat de smarten die van Mij komen, zo gij ze maar goed ver­draagt, meer kwetsen, dieper gaan en u sneller doen vooruit­gaan dan alle vrijwillige pijnen. Waarover beklaagt gij u dan ?  Zeg Mij veeleer: "O getrouwe Vader, voltrek altijd in mij wat Gij wilt!"

 

   Zal. Suso (1295?-1366), Boek van de eeuwige Wijsheid, XIII

 

 

 Als de opstand dreigt …

             

     Nee, die akte van geloof is niet gemakkelijk !  Pascal, die grote zieke, heeft de bekoring tot opstand gekend.  In termen, gekenmerkt door een zekere gestrengheid - en die aan Gods 'gerechtigheid  haar volle plaats geven - nodigt hij ons uit om die bekoring te overstijgen door het vertrouwen in het vaderschap van Hem die dezelfde blijft, "of Hij nu beproeft dan wel troost":

 

     " Heer, uw Geest is zo goed en zo zacht in alles, en Gij zijt zo barmhartig dat niet alleen de voorspoed, maar zelfs de tegenvallers die uw getrouwen overkomen de werking zijn van uw barmhartigheid. Schenk mij de genade niet te handelen als een heiden in de staat waartoe uw gerechtigheid mij heeft gebracht.  Moge ik, als een ware christen, U erkennen als mijn Vader en mijn God, in welke staat ik mij ook bevind, vermits de verandering van mijn staat aan die van U geen verandering brengt, dat Gij dezelfde blijft, wijl ik onderhevig ben aan verandering, en Gij niet minder mijn God zijt wanneer Gij slaat en straft, als wanneer Gij mij troost, en vergeving schen­kt."

 

    Blaise Pascal (1623-1662), Gebed voor het goed Gebruik van de Ziekten,I

 

     Wel, wat rest er ons wanneer ons niets overblijft ?  Ons rest de overgave in de armen van de Vader En daar is dan eindelijk het ware geloof !

 

 

 

 


9


III -  ZICH LATEN DOEN, NIET :  ZICH LATEN GAAN

 

     De overgave, dat is de houding van Christus in zijn diepste lijden : "Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest !" Overgave is een ander woord voor het geloof, de houding van een kind dat zich volledig en definitief verlaat op zijn Vader.  Dit is de houding van de christen in alle omstandighe­den, en de ziekte maakt die houding alleen maar dringender, redelij­ker, zij is de enig redelijke.

 

 Zich overgeven, niet opgeven.

 

     "Zich overgeven is mèèr dan zich geven. Jezus heeft zich gegeven in de Menswording, in zijn Passie heeft Hij zich over­gegeven, Hij blijft overgegeven in de Eucharistie. Het kruis en het altaar, die in hun diepste grond slechts twee aspecten zijn van éénzelfde zaak, dat kruis zeg ik, en dat altaar zijn het laatste woord van Jezus' liefde.

 

     Zich overgeven, is aan zichzelf verzaken, zichzelf verla­ten, zich vervreemden, zich verliezen, en tegelijk zich geven, mateloos, zonder reserve, en bijna zonder opkijken naar degene die moet bezitten.  Zich overgeven, dat is zich laten uit­vloeien. Gij weet wat de Bruid van het Hooglied zegt: "Mijn ziel is gesmolten, van zodra mijn Teerbeminde gesproken heeft" (Hoogl. 5,6).  Wat vloeibaar is heeft geen eigen vorm meer, de vorm van een likeur is het vat dat die likeur bevat.  Doe ze in tien verschillende vaten, de likeur neemt tien verschillen­de vormen aan, en dat van zodra ze erin wordt gegoten. Zo is de ziel, die zich overgeeft : Zij smelt tot water op het woord van God.  Niet het woord dat dondert, zelfs niet het woord dat beveelt, maar het woord van het eenvoudige verlangen en van de minste voorkeur. Sint Franciscus van Sales zegt dat de ziel "over­lijdt": wat een gelukzalig overlijden !...

 

 

 

Zich aan God overgeven, meer nog dan aan Gods wil :

 

     Het is niet precies aan de dingen die God gewild heeft dat men zich vooreerst moet overgeven, noch zelfs, ik durf het zeggen, aan Gods bijzondere wil. Die zaken kunnen bitter zijn, zij kunnen hard lijken, maar God, onze goede God, is noch hard noch bitter. Het is in Hem dat men moet uitvloeien, verlijden en zich verliezen. Het gaat erom dat men zich aan Hem, en aan  Hem alleen moet overgeven. Daarna zal men veel gemakkelijker overgegeven blijven aan de verschillende verlangens van Zijn wil en aan alle het uitwendige en het praktische dat eruit voortvloeit.

Het kind dat zich overgeeft in de armen van zijn moeder, geeft zich over aan alle bewegingen die zijn moeder met hem wil doen. Indien het deze bewegingen zou voorzien, zouden ze het wel kunnen afschrikken. Zijn moeder boezemt hem echter nooit schrik in.

 

     Zie dus alleen maar God, en al de rest doorheen Hem. Zeg het u zelf goed : Het is met God zelf dat ge te doen hebt. De ogen van de eeuwige Wijsheid, de armen van de Almachtige, de handen van de Trouw, de boezem van de   Liefde : daaraan juist levert de overgave een ziel over. En is dat om haar af te schrikken ? …

                  

     De christen houdt niet van lijden, de christen blijft altijd een klein kind,  zijn krachten zijn die van een klein kind :

 

    “O!  Wat is dat volmaakt !  Volmaakter dan de liefde voor het lijden, want niets offert den mens meer dan vredig klein te blijven. Hoogmoed is de eerste der hoofdzon­den, zij is de grond van alle begeerte en de essentie van het venijn dat het oude serpent in de wereld heeft gespoten. De geest van kindsheid doodt die veel sneller dan de geest van boete. De mens vindt zichzelf gemakkelijk terug wanneer hij vecht met pijn.  Hij kan zich daarin groot

10

 

achten, en er zichzelf in bewonderen. Als hij echt een kind is, wordt de eigenliefde wanho­pig. De steile rots van Calvarië biedt de ijdelheid nog enig voedsel. Hoe kaal hij ook is, het blijft een berg.  Bij de kribbe bezwijkt de oude mens vanzelf van uitputting.”

 

   Charles Gay (1818-1892), Het christelijk Leven en de chris­telijke Deugden,

over de Overgave aan God,II

 

 

     Het geheim van de overgave : Zich niet projecteren in de toekomst, maar het nu van God beleven:

 

     "In de overgave is de enige regel het huidige ogenblik.  De ziel is er licht als een veer, vloeibaar als het water, simpel als een kind,  zij is er beweeglijk als een bal, om al de inprentingen van de genade te ontvangen en te volgen. De overge­geven zielen hebben niet meer stevigheid en stijfheid dan gesmolten metaal.  Zoals dit al de vormen van de gietvorm aanneemt, plooien en schikken die zielen zich even gemakkelijk naar alle vormen die God ze wil geven.  In één woord : Hun instelling gelijkt op die van de lucht, die zich leent tot elke luchtverplaatsing en zich aan alles aanpast."

 

Jean-Pierre de Caussade (1675-1751),

De Overgave aan de Goddelijke Voorzienigheid, hs IV

 

 

De overgave is de essentie van de heiligheid.

 

     De heiligheid ligt nooit in onze prestaties, maar altijd in Gods liefde, en de liefde ligt altijd in de overgave aan degene die men liefheeft.  Niet dingen doen, zelfs geen groot­se, voor Hem, maar Hem laten doen wat Hij van ons wil. De heilige Maagd Maria, bijvoorbeeld, heeft nooit iets uitzonder­lijks gedaan. Heel haar heiligheid ligt in haar Fiat, d.w.z. haar overgave aan Gods welbehagen. 

 

     " Ik zou willen de missionaris zijn van uw wil, o Heer, en aan iedereen leren dat er niets gemakkelijker is, niets gewo­ner, niets zo in de handen van iedereen, als de heiligheid !  Zoals de goede en de kwade moordenaar geen verschillende dingen moesten doen en lijden om heilig te zijn, zo hebben twee zielen, de ene werelds en de andere heel ingekeerd en geeste­lijk, niets verschillends te doen en te lijden.  De ziel die zich verdoemt, verdoemt zich door uit fantasie te doen wat zij, die zich redt, doet uit onderwer­ping aan uw wil, en wie zich verdoemt doet dit door met tegen­zin en grommelen te doen wat de ander doet met gelatenheid. Alleen het hart is dus ver­schillend.

 

     O dierbare zielen die dit leest, het zal u niets méér kosten : Doe wat gij doet, verdraag wat gij verdraagt, alleen uw hart moet veranderen. Wat wij verstaan door "hart" is de wil.   Deze  verandering bestaat er dus in alles te willen, wat u bij Gods bevel toe­komt. Ja, de heiligheid van het hart is een eenvoudig Fiat, een simpele gesteldheid van de wil, gelijkvormig  met Gods wil. Wat is er gemakkelijker ?  Want wie kan zulk een beminnelijke en goede wil niet liefhebben ?  En door die enkele liefde wordt alles goddelijk."

   Jean-Pierre de Caussade (1675-1751),

 De Overgave aan de Goddelijke Voorzienigheid, hs. VIII

 

 

" Wat gaat er van mij geworden ?"

 

     " Maar, zult gij zeggen, wat zal er, na dit of dat, van mij geworden ?  Ziehier: Ik weet er niets van, en ik wil er niets over weten, want het zou mij erg tegengaan om mij terug te trekken uit die gelukkige staat van overgave, die mij doet leven in een totale afhankelijkheid van God.  Dag na dag, uur na uur, tel na tel te beleven zonder me te bekommeren over

11

 

welke toekomst ook, noch de dag van morgen !  Morgen zal voor zichzelf zorgen. Dezelfde die ons vandaag ondersteunt zal ons morgen recht houden door zijn onzichtbare hand. Het manna, in de woestijn, werd slechts voor die huidige dag gegeven.  Al wie, uit wan­trouwen of uit een

verkeerde voorzorg, er voor ‘s anderendaags raapte, bevond die bedorven (Exodus XVI,20).  Laten wij ons, door ons werk en door onze bange, onrustige vooruit­ziendheid, geen "voorzienigheid" brouwen, die even verkeerd is als die van God verlicht is en verzekerd. Laten wij alleen op zijn vaderlijke zorg rekenen, er ons volledig aan overgeven, voor onze tijde­lijke belangen, onze geestelijke en zelfs voor onze eeuwi­ge.

 

     Ziedaar de echte en totale overgave, die God er toe verplicht in alles zorg te dragen voor hen, die alles aan Hem toevertrouwen om zo in geest en waarheid eer te brengen aan zijn soevereine beschikking, zijn macht, zijn wijsheid, zijn goedheid, zijn barmhartigheid en al zijn oneindige volmaaktheden. Amen, amen.  "

 

                                   Jean-Pierre de Caussade, Brief 19 

 

     Wat ons het meest beangstigt is wat enkel in ons hoofd bestaat.  Vandaar : De toekomst aan God overlaten betekent : Alles op zijn plaats zetten, die plaats die Hij in zijn  liefde heeft voorzien:

 

     " Voorkom geenszins de ongevallen van dit leven door uw onrustige voorzorg, maar voorkom ze door een volmaakte hoop dat, in de mate dat zij er zullen aankomen, God, aan wie gij toebe­hoort, er u van zal verlossen. Hij heeft u totnogtoe bewaard.  Houd alleen maar de hand vast van zijn Voorzie­nig­heid, en Hij zal u bijstaan in alle gelegenheden, en waar gij niet kunt gaan, zal Hij u dragen. Wat moet gij vrezen, zeer geliefde dochter, gij die aan God behoort, die u zo stellig heeft verzekerd dat "voor wie Hem beminnen alles neerkomt op geluk ?" (Rom. 8,28)  Denk geenszins aan wat morgen zal gebeuren, want de hemelse Vader, die vandaag voor u zorgt, zal daar morgen en altijd voor zorgen.  Ofwel zal Hij u geen enkel kwaad bezorgen, ofwel, indien Hij er u geeft, zal Hij u onoverwinne­lijke moed schenken om het te dragen."

 

    H. Franciscus van Sales (1567-1622), Brief  a. Mevr. de Veyssi­lieu, 6.01.1619

 

        

“De dokter heeft me zojuist aangekondigd dat het ernstig is …”

 

     Laten wij beginnen bij het begin:

     

“Vader, ik geef mij aan U over, doe met mij wat U belie­ven zal.

Wat Gij ook met mij doet, ik dank U, ik aanvaard alles, als uw wil maar geschiedt in mij en in alle schepse­len... 

Ik verlang niets anders, mijn God.

In uw handen geef ik mijn ziel, ik schenk ze U, mijn God, met heel de liefde van mijn hart, omdat ik U bemin, en het mij een noodzaak is voor mijn liefde om mij te geven, om mij zonder maat in uw handen over te geven, in onein­dig vertrou­wen, want Gij zijt mijn Vader. Amen."

                         Zal. Charles de Foucault (1858-1916)

 

     Ditmaal schijnt de goede God ons alles ineens te vragen !  Daartoe hebben wij niet de moed, dat is evident.  Wij zijn veroordeeld tot het vertrouwen in God alleen, zonder andere toekomst dan Hem. Wij zijn veroordeeld tot het bovennatuurlij­ke !  Laten we onze kans grijpen !

 

      "De natuurlijke edelmoedigheid bestaat in weinig meer dan aan  anderen een deel te geven van ons bezit, waar de bovenna­tuur­lijke edelmoedigheid ons aan God doet schenken niet alleen wat wij bezitten, maar wat wij zijn,  alles wat wij zijn !  Zij brengt er ons toe om Hem onze geest, onze wil, onze vrijheid, onze gezondheid, ons leven, onze reputatie te

12

 

schenken, in één woord, om toe te stemmen in de totale vernietiging van dat "ik", dat ons uitmaakt, en waarop onze dierbaarste belangen rusten.

 

     Nu is het gemakkelijk, aldus de H. Gregorius, om te verzaken aan wat men bezit, maar het is oneindig moeilijk om te verza­ken aan wat men is, om zich van zichzelf te ontledigen. En zonder de meest bijzondere genaden van God, zonder de grootste pogingen tot edelmoedigheid, zou men het nooit doen. Men denkt alles gedaan te hebben, wanneer men zich in een gebaar van gevoeli­ge godsvrucht van ganser harte aan God gegeven heeft, en Hem betuigd heeft dat men bereid is om alle beproevingen te doorstaan, alles te verdragen, alles te offeren uit liefde tot Hem. Maar dat is nog maar een offer "in gesteldheid en in voorbereiding", het echte offer is heel wat anders. 

 

     Wanneer God ons wil op de weg zetten van de echte offers, neemt Hij gewoonlijk het gevoel weg.  Hij laat weerzin toe, opstand van de natuur, en een algemeen verzet van de eigenliefde. Dan voelt men een onuitsprekelijk verzet tegen wat God van ons vraagt, een geweldig innerlijk gevecht, dat de ziel in een soort dood­strijd brengt. Men hoopt dat die kelk ver aan ons voorbijgaat.  Ja, men aanroept God daarvoor. In één woord, de natuur weer­staat uit alle macht aan haar vernietiging. Toch blijft de wil, op een sterke maar onmerkbare wijze gesteund door de genade, onwankelbaar in zijn onderwerping, hij vangt de slagen op, hij voelt er het volle gewicht van, maar hij draagt het moedig, en laat zich geenszins te neer slaan.

 

     ...Laten wij God voortdurend vragen om die edelmoedigheid, Hem bidden om nooit toe te laten dat wij, wat wij Hem ver­schuldigd zijn, zouden afmeten naar onze enge en bekrompen ideeën, maar om ons te verheffen tot de idee, die Hij van zichzelf heeft, en om Hem als een God te dienen. God als God dienen !  O, wat grote woorden !   Maar dat uitvoeren gaat ons bereik ver te boven. Er is slechts één middel om die dienst te vervullen, dat is zich aan God over te geven, opdat Hij absoluut over ons zou beschikken. Dat Hij ons zou ontdoen van onze geest, en ons zou bekleden met zijn geest,  dat Hij ons een hart zou schenken volgens zijn hart... Hoe minder wij volgens onze inzichten zullen geleid worden, des te meer zullen wij dat volgens Gods inzichten zijn.  Er is immers niet méér verschil tussen de ideeën die God heeft van de hei­lig­heid, vergeleken met de onze, dan tussen zijn natuur en de onze.    En zolang als wij enkel edelmoedig zullen zijn op onze manier, zullen wij het niet zijn op zijn manier."

 

   Jean-Nicolaas Grou (1731-1803),

Handboek van de Innerlijke Mens, De Edelmoedigheid 

 

   

 

 

IV - GEDULD EN ONGEDULD

 

Niet in vorm zijn is geen zonde.

 

     Wij voelen ons dikwijls schuldig als wij er niet in slagen om alles te doen wat wij zouden willen of moeten doen, wanneer wij niet in vorm zijn. Dat is wel het ogenblik om te zien dat onze daden niet zozeer tellen om hun resultaat als om hun gelijkvormigheid met Gods wil, zelfs en vooral wanneer die zich stelt tegenover onze plannen, zelfs de beste.

 

     " Mijn zeer lieve dochter, men moet niet onrechtvaardig zijn, en enkel van ons vragen wat in ons ligt. Wanneer wij lichamelij­ke ongemakken hebben, of met de gezondheid sukkelen, moeten wij van onze geest alleen de akte van onderwerping aan de beproeving eisen en haar aanvaarding, en de heilige vereniging van onze wil met Gods wil, die gebeurt in het hoogste van de ziel.  En wat de uiterlijke daden aangaat, men moet ze ordene­n en

13

 

handelen naar ons beste kunnen, en ermee tevreden zijn dat wij ze doen, zij het met tegenzin, loomheid en moeizaam. En om deze loomheid en moeite en slaperigheid van hart op te waarde­ren en te laten dienen voor de liefde tot God, moeten wij er de heilige waardeloosheid van bekennen, aanvaarden en ervan houden. Zo zult gij het lood van uw zwaarte in goud verande­ren, goud fijner dan dat zou zijn van uw levendigste blijheid van hart..  Heb toch geduld met uzelf.  Dat het hoger deel van uw ziel (dat door de rede wordt bestuurd) de ontred­dering moge verdragen van uw lager deel (dat geregeerd wordt door emo­tie en de passie)."

   H. Franciscus van Sales (1567-1622), brief a.e. dame, 29.09.­1620

 

     "Wanneer gij uw hart te neer geslagen voelt, draag die neerslachtigheid met liefde en een diepe vernedering voor God.  Sta eenvoudig voor Hem in staat van verscheurdheid of andere kwellingen, waarin ge  u kunt bevinden, en werp op Hem een eenvoudige blik van zachtmoedigheid, vrede, tederheid.  En dit in de diepste vernedering van uw ziel, en met een groot en vredig verlangen om u hoe langer hoe meer met Hem verenigd te houden, en alleen daarin alle vreugde, alle liefde en alle licht te putten.

 

     ... Van welke aard de lasten en tegenslagen mogen zijn die gij ondervindt, sta steeds in vrede voor God en in God, maar in nederige, zoete, liefderijke vrede, die steunt op een volmaakt verzaken aan elk schepsel, aan uzelf, uw hoogmoed en uw eigen belangen, welke ook,

tijdelijke of geestelijke. Wees zacht en liefdevol tegenover iedereen, en geef uw ziel alleen over aan God, die uw àl moet zijn, in alle tijden en in alle omstandigheden."

 

               François Lieberman, (1802-1852), Br. van 21.09.1836

 

Mag een Christen klagen ?

 

     De vrede van de overgave is niet psychologisch, maar gees­telijk. Zij is niet de vrucht van een overwinning op onszelf, maar van een verzoening met onszelf.  Onze zwakheden zijn geen zwakheden meer, wanneer zij God liefderijk worden opgedragen.

 

     "Ik bid u.  Plaats u in Gods aanwezigheid, en verdraag uw lijden vóór Hem. Houd u niet in van klagen, maar ik wilde dat ge u bij Hem zoudt beklagen,  met een kinderlijke geest, zoals een teder kind bij zijn moeder. Want als het liefderijk gebeurt,  ligt er geen  gevaar in het klagen, noch in het vragen om genezing, of om verlichting. Doe dat slechts met liefde en berusting in de handen van Gods goede wil.

 

     Doe uzelf geen moeite omdat gij de werken van deugdzaam­heid slecht zoudt uitvoeren, want zij houden niet op van goed te zijn, ook al zijn ze loom, zwaar en quasi geforceerd gedaan. Gij kunt God slechts geven wat gij hebt, en in deze droefheid hebt gij geen ander werk te bieden."

         H. Franciscus van Sales, Br. à Mme de la Fléchère, 16.07.1608

 

     " Nooit laat God het kwaad toekomen aan zijn dienaren, zonder dat Hij hun de noodzakelijke ondersteuning en het passend geduld voor hun ziekte zendt. Werp uw hart in zijn armen, en vertrouw u toe aan zijn Voorzienigheid. In Gods huis werd nooit vernomen dat iemand belast werd boven zijn krach­ten.  Zijn trouw is te groot, zijn vaderliefde te teder, het innigste van zijn goddelijke barmhartigheid geeft nooit macht aan de ziekte tenzij de geest vooraf meer kracht heeft dan nodig om het kwaad het hoofd te bieden en het de voet op de keel te zetten.

 

     Die luide kreten die u ontsnappen zijn niet altijd stem­men van ongeduld, maar een ontlading van de pijn. Die kwalijke troosters die u niet toelaten te zuchten in uw marteling zijn een beetje hinderlijk, die met mensen van vlees omgaan als met bronzen beelden. Neen

14

 

maar, roep maar luid en geef lucht aan uw hart door uw klachten, maar op voorwaarde dat gij verklaart dat het niet is uit ongeduld, maar om uw pijn enigszins te verzachten. Zorg dat uw taal goede kreten slaakt, zoals die van Job : God had het mij gegeven, Hij heeft het teruggeno­men, zijn heilige naam zij geprezen!" (Job,1,21)

 

         Etienne Binet (1569-1639), Troost en Verheugen..., Hs. 2

 

 

Goede voornemens.

 

"Loyaal zijn met mijn zenuwen. Er nooit voordeel uit halen om de aandacht te trekken, medelijden op te wekken, de zoet­heid van de troost te verkrijgen.

Nooit willens mijzelf schaden.

Vooral nooit de anderen schaden, noch door geweld, noch door zwakheid. Vermijden om ze te verzuren door mijn bitter­heid, ze te neer te drukken door mijn neerslachtigheid.

Elke dag een goede daad stellen, het koste wat het wil.

Vertrouwvol in andermans tederheid, lijk een klein kind.

Zelf vertrouwen inboezemen, door rechtgeaardheid, lijk een volwassene."

 

                      Marie Noël (1883-1967), Intieme Nota's

 

 

“Mijn leven is nutteloos geworden …”

 

     Zich nutteloos voelen, en dikwijls tot last voor de anderen, maakt deel uit van de beproeving van de ziekte. Wat een verspilling, zo lijkt het !  Ongetwijfeld vinden wij hier de gelegenheid om te ontdekken dat de nuttigheid geen doel is, en dat de waarde van ons leven niet gemeten wordt aan zijn zicht­ba­re resultaten, maar wel aan onze vereniging met Christus door de eenvormigheid van onze wil met die van zijn Vader. En daar is onze nutteloosheid slechts de keerzijde van de myste­rieuze vruchtbaarheid van zijn Kruis. Pater Liberman, dik­wijls zelf belemmerd door zijn betreurenswaardige gezond­heids­toe­stand, schrijft naar een zieke missionaris, die dacht dat hij voortaan tot niets meer diende in zijn congregatie, gewijd aan de evangelisatie van Afrika :

 

     " Gij schijnt enige last te ondervinden omdat uw oversten u voorschrijven u wat te sparen, en u niet inzetten voor een groot werk bij de zielen. Maar, beste broer, er zijn twee manieren om aan hun heil te werken : De ene actief, de andere passief. De actieve manier bestaat erin te werken aan het onderricht van die zielen, en actief de functies van het ministerie uit te oefenen. De passieve manier is lijden voor hen, bij Gods gebod, en volgens zijn wil. Wel !  In waarheid zeg ik u dat de tweede manier oneindig veel nuttiger is dan de eerste.

 

     Kijk naar het onbevlekt Hart van Maria ! Hoeveel smart heeft het geleden voor het heil van de wereld !  Maria is het Evangelie van haar Zoon niet gaan prediken, maar zij heeft in haar hart geleden, ziedaar het enige apostolaat van Maria. Welnu, was zij niet groter dan al de   apostelen ?  En Jezus zelf, die aan zijn apostelen werken en successen gelaten heeft, onvergelijkelijk groter dan wat Hijzelf heeft willen doen, heeft ook Hij niet  geleden voor het heil van de wereld ?  Gij ziet dus dat het echte apostolaat ligt in de smarten. Lijd dan, en zie af in vrede en met liefde.

 

     Het is u niet nodig om te zoeken te weten wat u te doen staat voor de eer van God. Zeg dus voortaan niet dat gij nuttelozer zijt dan een ander. God heeft u, voor het ogenblik, een apostolaat van lijden gegeve, later, wanneer het Hem behaagt, dan zult gij werken."

 

                François Liberman (1802-1852), brief van 6.05.1851

 

 

15

 

“Indien ik een betere gezondheid had, zou ik goede werken doen …”       

 

     Maar wat is een goed werk, tenzij dat wat God ons op­draagt, hier en nu ?

 

     " De zieke: Heer God, als ik in goede gezondheid was, zou ik veel kunnen doen, en hier lig ik nutteloos, begraven tussen twee lakens !

 

     De ziekentrooster: Gij zoudt liever van dat beetje ziekte verlost zijn, dan in Gods dienst te staan, ik zie het wel !  Neem voor zeker aan, dat God veel meer uw lijdzaamheid aan­vaardt dan al de mirakelen die gij zoudt kunnen doen. God zal de rest wel doen zonder u, maar Hij kan uw geduld niet bekro­nen zonder u.

 

     Nu ge daar ligt, met uw hoofd geplakt op een oorkussen, vertelt ge ons dat ge wonderen zoudt doen zo gij in vorm waart. Al wat gij bij gezondheid zoudt kunnen doen, is geen goed uur geduld waard. Als ge zoveel verlangen hebt om God  dienstig te zijn, begin dan met dit punt, en betuig dat ge geen ander verlangen hebt dan ziek te zijn, zolang het Hem zal believen."

        Etienne Binet (1569-1639) Troost en Verheugen... Hs. 2

 

     In werkelijkheid verbergt dit verlangen tot doelmatigheid dikwijls een grote bekoring : Het lijkt altijd gemakkelijker christen te zijn elders dan waar God dat verlangt.  En men begint te dromen, daar waar men moest beginnen beminnen, dit is goedhartig de situatie te aanvaarden waarin God ons klaar­blijkelijk verwacht:

 

     "Beschouwen we een zieke die toch zijn kwaal verdraagt en zich toelegt op geduld.  De listige Tegenstander, die ziet dat deze zieke zo de gewoonte van dit geduld zal aannemen, brengt hem veel goede dingen onder ogen die hij zou kunnen doen, ware zijn toestand anders en de Vijand spant zich in om hem ervan te overtuigen dat hij, bij goede gezondheid, beter God zou kunnen dienen, en dat dit beter ware voor hemzelf en de anderen.

 

     Nadat hij die verlangens in die persoon opgewekt heeft, verhoogt de Vijand deze verlangens beetje bij beetje, zodat hij hem onge­rust maakt, dat hij deze verlangens niet zal kunnen volbrengen zoals hij zou willen. En hoe meer die goesting groeit en versterkt, hoe meer de onrust groeit en van daaruit leidt de Vijand hem beetje bij beetje handig tot hij ongeduldig wordt over zijn ziekte, niet als ziekte, maar als belemmering voor die werken die hij met passie verlangt te realiseren voor een groter goed.

 

     Eens dat de vijand die mens daartoe gedreven heeft, verwijdert hij even handig uit zijn geest dit doel om God te dienen, en goede werken te doen, en laat hem alleen het ver­langen om zich van de ziekte te ontdoen. En omdat dit niet verloopt zoals hij dat wil, wordt hij verstoord, zodat zijn ongeduld ten top is. En zo vervalt hij, van de deugd die hij beoe­fende, in de tegenovergestelde ondeugd, zonder dat hij zich er rekenschap van geeft !

 

     Het middel om zich te behoeden tegen dit bedrog en zich ertegen te verzetten, is dat ge op het ogenblik dat gij in een kwellende situatie zit, oplet om geen plaats te laten voor het verlangen naar enig goed dat ge dan niet zoudt kunnen realise­ren, en dat u alleen zou in verwarring brengen. En in deze, zult ge in alle nederigheid, geduld en berusting, moeten geloven dat uw verlangens niet de uitwerking zouden gehad hebben waarvan ge overtuigd waart, omdat gij veel slapper en onbeslister zijt dan ge denkt. Of nog, denk dat God, in zijn geheime oordeel of omwille van uw verdiensten, dàt  goed niet van u verwacht, maar veeleer dat ge u geduldig verlaagt en vernedert onder zijn zachte en sterke hand."

   

    Lorenzo Scupoli (1530-1610), Geestelijke Strijd, 31

 

 

16

Wanneer de nacht nog verduistert...

 

     " Gij weet dat gij het kruis moet dragen, en dat in volle duis­ternis. De volmaakte liefde zoekt niet om te zien, noch om te voelen.  Zij is tevreden met het lijden, zonder te weten of zij wel "goed" lijdt, en te beminnen zonder te weten of hij be­mint. O, wat is de overgave zonder enige wederkerigheid of verborgen voorbehoud zuiver, en God waardig !  Zij alleen is meer vernietigend dan duizenden strenge en volgehouden, zichtbaar onverzwakte deugden. Men zou vasten, zoals Simon de Styliet en eeuwen op zijn kolom blijven, men zou honderd jaar verblijven in de woestijn, zoals Sint Paul de Kluizenaar, wat zou men al niet wonderbaars doen, en het beschrijven waard, liever dan een eenvormig leven te leiden, dat een totale en voortdurende dood is in die eenvoudige overgave aan Gods welbehagen !  Beleef dan die dood, zij weze uw enig dage­lijks brood."

                  Fénélon (1651-1715), Brief CLX (uitg. 1810) 

 

     "Wat kan een ziel dan doen, in die staat ? Zij weet niet hoe zich te handhaven te midden van zulke onaangenaamheden, en heeft geen andere macht dan om haar wil te laten sterven in de handen van Gods wil, in navolging van de lieve Jezus, die, op het hoogtepunt van zijn lijden aan het kruis, niet meer kon weerstaan aan zijn pijnen, en bad: “Helaas, Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest” (Lc 23,46).  Dat was zijn heel laatste woord, waardoor de welbeminde Zoon het soevereine getuige­nis van zijn liefde tot zijn Vader zal geven. Wanneer dus alles ons ontbreekt, wanneer onze zorgen ten uiterste opgelo­pen zijn, kan ons dit woord, dit gevoel, het verzaken van onze ziel in de handen van onze Heiland ons niet ontbreken.  De Zoon beval zijn geest aan de Vader in deze laatste en weergaloze nood en wij, wanneer de stuiptrekkingen van de geestelijke pijnen ons elk soort verlichting ontnemen, laten wij dan onze geest bevelen in de handen van die eeuwige Zoon, voor onze echte Vader, en het hoofd buigen, tot instemming met zijn welbehagen, en Hem gans onze wil in bewaring geven."

  H. Franciscus van Sales (1567-1622), Tractaat over de Liefde tot God, IX,12 

 

     "De hemel lijkt wel gesloten, men voelt geen smaak meer voor het Kruis, men wordt zelfs bekoord door ongeduld, men voelt die rust niet meer, noch dat ik-weet-niet-wat dat zo vredig stemde, men heeft moeite om zich te schikken in dat leven in lijden, of in de dood... Wat te doen in die staat ?  Men heeft moeite om zichzelf en de anderen te verdragen !  Dan moet men grote stilte houden, zich zo stevig als men kan dicht tegen God in onszelf houden, hoewel het lijkt alsof men Hem niet meer opmerkt... Het heeft groot gevolg en belang dat men zich dan verenigt met de staat van verlatenheid die Jezus wel heeft willen verdragen op het Kruis. Men kan soms met Hem deze woorden herhalen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ? “(Mt. 27,46) Het schijnt zelfs dat in die tijd de weerzin voor alle zaken, die men verplicht moet innemen, ver­dub­belt, en dat zij dan tot een soort bittere kelk worden.

 

     Er is iets van groot belang dat men in die staat moet vermijden : Zich aan zijn humeur overgeven, alsof men aan water de vrije loop gaf, want eens dat het spongat open is, lijkt het alsof, in de moeilijke staat waarin men verkeert, men zijn loop niet meer kan tegenhouden.. Het is veel gemakkelijker om het niet te laten ontsnappen : De strenge stilte spijts de pijn die men lijdt, belet dat de sponning begeeft. God ver­draagt in die toestand zelfs dat men alles averechts doet.  Wanneer men wil helpen, kwetst men, en veel dingen van die aard.

 

     Hoewel er grote getrouwheid nodig is om aan de natuur geen baan of enig leven te geven in die periode, moet men nochtans niet ontmoedigd worden wanneer er een of andere fout ontsnapt. Dat moet dienen om ons de grond van de ellende, die in ons ligt, te leren kennen.  Dit soort fouten vernederen ons danig, én in onze eigen ogen, én in die van anderen, die de grote verduldigheid niet meer zien, die men vroeger zo gemak­kelijk beoefende, en geloven dat de ziel vervallen is, en er kwaad over denken. God laat die

17

 

kleine, wel zeldzame ontspo­ringen toe, om de ziel een vaste steun te ontnemen, die ze behield zowel in haar vroe­gere verduldigheid in die vertroos­tingen, die haar toen niets kostten, als in de krachtige deugd die zij in zulk een erbarmelijke periode beoefent. Deze werkwij­ze van God in de ziekte en in die staat van dorheid doet de ziel meer voor­uit­gaan en maakt ze meer gelijkvormig aan Chris­tus, dan meer­dere jaren van de voorgaande staten, hoewel de ziel zelf en zij, die niet echt verlicht zijn, er niet zo over denken.”

 

Jeanne-Marie Guyon (1648-1717), Christelijke en geestelijke Toespraken, 3.15

 

 

 

 

V  -  BIDDEN ALS MEN ZIEK IS.

 

     " De oratie of het inwendig gebed bestaat niet in veel denken, maar in veel beminnen", zegde de heilige Teresa van Avila. Nadenken is dikwijls onmogelijk wanneer men pijn lijdt.  Liefhebben, daarentegen, is altijd mogelijk. Liefhebben is ingaan op de wil van wie men bemint. Wanneer ons gebed besluit tot de eenvoudige aanvaarding van de toestand waarin God ons geplaatst heeft, gaat het wel over liefde, zelfs en vooral wanneer wij niet eens de kracht bezitten om er de gevoe­lens van op te brengen.

 

     " Mijn lieve dochter, als gij geen grote gebeden verricht te midden van uw ziekte en zwakheden, maak dat uw zwakheid een gebed wordt, door ze te offeren aan Hem die onze zwakheden zó bemind heeft, dat Hij, "op de dag van zijn bruiloft en van zijn zielevreugde", zoals de gewijde Bruid (Hooglied,3) het zegt, er zich mee gekroond heeft en verheerlijkt.  Doe evenzo."

H. Franciscus van Sales, Br. van 24.11.1620 aan Mw. de Granieu

 

     " Het is waar dat de zwakheid van het lichaam een grote hinderpaal is voor het inwendig gebed, als men die oefening niet zuiver opneemt volgens de Geest Gods, zoals het hoort. Inderdaad,  wie er verlichtingen en mogelijkheden in zoekt om zich met God te voeden en van Hem te genieten, rekent verkeerd, door het feit dat hij lichamelijk zwak is. Maar stel dat uw ziel er Gods Geest in ontvangt, en verlangt die te ontvangen om aan zich­zelf te sterven, dan zal zij bevinden dat de zwakheden, in die geest gezien, een heel goede voeding zijn voor de geest van inwendig gebed.

 

     (In de ziekte) moet men zo handelen dat, wanneer men niet kan ingekeerd zijn in oratie, of buiten de oratie door toeleg op verscheidene soorten verlichtingen,  men dan tracht inwendig gebed te verrichten langs de scherpte van zijn pij­nen, en van zijn onmacht en alzo door die mist te boren om God te vinden in die pijn.  Door de eenvormigheid met zijn wil, en langs daar God te vinden, vreedzaam en nederig in die pijnlijke beschik­king. Des te meer omdat Gods wil en zijn beschikking zowel Hemzelf is als eender wat dat Hij ons kan geven. En langs die weg komen wij heel wat vlugger tot God dan wanneer wij door het woud van de vele verlichte ingevingen  en beschouwingen lopen. Men zou dat niet moeten kiezen, indien God het niet voor ons uitkoos, des te meer omdat men nederig alles moet doen wat men kan om weer gezond te zijn. Wanneer de Voorzienigheid dat echter niet wil, moet men die onmacht en zijn ziekte aannemen als God zelf.

 

     Men moet beschouwen dat, daar die handelwijze inzake het inwendig gebed buitenge­woon is in Gods Voorzienigheid , dit ook moet vergezeld gaan van een buitengewone trouw om te sterven in een miljoen kleine gelegenheden die de ziekte ons meebrengt, zoals ongeduld, verwerping, afhankelijkheid, vernedering in onze eigen en in andermans ogen... Zoals men een boom ziet zijn voedsel halen uit al die kleine worteltjes, verloren in de aarde, evenzo haalt de ziel in die ziekten het bovennatuurlijk voedsel voor zijn inwendig gebed en

18

 

voor alles, uit miljoenen kleine getrouwheden veroorzaakt door de ziekten en de zwakhe­den... Dat gebeurt niet door de " grote dingen" noch door de zichtbare deugden, (maar) zeker door al wat ons ver­kleint voor God en de mensen, op welke wijze en van welke aard dan ook. En als de ziel er maar getrouw aan blijft om altijd te sterven en nooit ophoudt te sterven door zijn armoede en vernedering, zal God nooit ophouden om altijd meer te komen en die ziel te vervullen, niet alleen volgens de neiging van de ziel, maar op zijn manier."

          Jacques Bertot (1620-1681), Geestelijk Leider, IV,24

 

     " Terwijl onze lichamen in pijn zijn, is het moeilijk om onze harten te verheffen tot de volmaakte beschouwing van de goedheid van onze Heer.  Dat behoort alleen diegenen toe die, door lange gewoonte, hun geest geheel hemelwaarts gewend hebben. Maar wij, die nog heel erg teer zijn, wij hebben zielen die gemakkelijk verstoord zijn als zij de zwaarte en de pijnen van het lichaam voelen.  Daarom is het geen wonder dat gij, tijdens uw ziekte, de gewoonte van het inwendig gebed hebt onderbro­ken. Het volstaat dan ook om in die tijd schietge­beden en heilige verzuchtingen te gebruiken,  want, vermits de pijn ons dikwijls doet zuchten, kost het niet méér om in God, tot God, en voor God te zuchten, dan om nutteloos te klagen."

           H. Franciscus van Sales, Br. à Mme de Tavernay, 21.07.1622.

 

 

Wanneer niets ons nog zint...

 

     Wij verwarren dikwijls het gemakkelijk gebed met een geslaagd gebed ! Maar daar het gebed helemaal ligt in onze vertrouwvolle overgave aan God, is het des te moeilijker naargelang het authentieker is, vermits het ertoe neigt om zich te herleiden tot enkel dit vertrouwen, voorbij onze ver­langens en onze krachten.

 

     " Ik heb gemerkt dat gij wat teveel rekende op uw inge­keerd­heid en uw vurigheid :  God heeft u die gevoelsgaven onttrokken om u ervan los te maken, om u te leren hoe zwak gij zijt uit uzelf, en om er u aan te gewennen om God te dienen zonder die smaak, die de deugd gemakkelijk maakt. Men doet veel meer voor God met dezelfde dingen te doen zonder genoegen en met tegenzin. Ik doe weinig voor mijn vriend wanneer ik er te voet heen wandel, omdat ik van wandelen houd, en flinke benen heb waarmee ik mijzelf al wandelend veel genoegen ver­schaf. Maar als ik jicht heb, kost elke stap mij veel, ik wandel alleen nog met pijn en tegenzin. Dan krijgen dezelfde bezoeken, die mijn vriend niet erg hoefde te waarderen, een nieuwe waarde.  Zij zijn het teken van een zeer levendige en sterke vriendschap en hoe meer moeite ik heb om die blijken te geven, des te meer moet hij ze van mij waarderen. Eén stap heeft meer verdienste dan honderd er vroeger hadden.

 

 Vandaar, laten wij profiteren van die innerlijke loomheid die dikwijls met het ziek zijn samengaat, om een des te dieper geloof te beleven, naarmate het minder gevoelsmatig is :

 

     Ik zeg dit niet om u te vleien en u met ijdel zelfver­trouwen te vervullen. God verhoede !  Het is alleen om u te verhinderen om in een zeer gevaarlijke bekoring te vallen, die van ontmoediging en verwarring. Wanneer gij in de overvloed verkeert en in innerlijke vurigheid, tel dan voor niets uw goede werken, die zo maar uit u vloeien. Wanneer gij integen­deel in dorheid verkeert, in duisternis, armoede en bijna innerlijke onmacht, blijf dan klein onder Gods hand, in naakt geloof.  Erken uw miserie. Richt u naar de almachtige liefde, en twijfel nooit aan haar hulp. O wat is het goed zichzelf beroofd te weten van die gevoelige steunpunten, die de eigen­liefde flatteren, en herleid tot de erkenning van dit woord van de Heilige Geest: " Geen levende ziel zal voor U ge­recht­vaardigd staan." (Ps. 142,2)

 

19

 

    Laten wij er zeker van zijn : God doet ons veel beter vooruitgaan in die loomheid, dan in de vurigheid van goede fysische en psychische gezondheid !

 

     "Marcheer, in Gods naam, hoewel het u toeschijnt dat gij de kracht noch de moed hebt om één voet voor de andere te zetten.  Zoveel te beter indien de menselijke moed u ontbreekt !  De overgave aan God zal u niet ontbreken in uw onmacht. Sint Paulus roept het uit: "Het is wanneer ik zwak ben, dat ik sterk ben". En wanneer hij vraagt om bevrijding van zijn zwakheid, antwoordt God hem: "In de zwakheid wordt de deugd volmaakt."(II Co 12,9) Laat u dus vervolmaken door de onder­vin­ding van uw onvolmaaktheid, en door een nederig beroep op Hem die de sterkte is van de zwakken... Uw innerlijke armoede zal u dikwijls terugvoeren naar het besef van uw miserie.   God, die zo goed is, zal u niet uit het oog laten verliezen hoe onwaar­dig gij voor Hem zijt, en uw onwaardigheid zal u dadelijk terug­brengen naar zijn oneindige goedheid. Heb moed !  Gods werk gebeurt alleen door de vernietiging van onszelf. Ik bid Hem dat Hij u ondersteunt, u troost, u arm maakt, en u dit bemin­nelijk woord laat  voelen : "Zalig de armen van geest!"

                 Fénélon (1651-1715), Brief CVI (uitg. 18

 

 

 Gebed voor hen die ons verzorgen

 

     "Heb medelijden, Heer God, met hen die zich beladen hebben met het kruis van de anderen, die redders geworden zijn.

     Gij, de Redder van allen, geef aan de geneesheer het Licht. Verlicht hem in andermans duisternis, opdat hij, ver­plicht om in andermans geheimen van lichaam en ziel binnen te dringen, zich niet vergist van weg, en niets kwetst in het voorbijgaan.

     Geef aan de geneesheer de Liefde, opdat hij, belast met zijn eigen leed, en allicht zonder toevlucht voor hemzelf, altijd in zich een zachtheid, een beschutting, een kracht vindt voor de wanhopige die op hem wacht.

     Geef hem de genade, opdat hij, in zijn slechtste ogen­blik, in zijn onzekerheid,  zijn menselijke zwakheid, zijn verwarring, toch steeds wijs genoeg blijft, steeds goedhartig genoeg, steeds zuiver genoeg, en de heilige smart waardig die zich in geloof aan hem gegeven heeft.

     Geef aan de geneesheer de trouw in de barmhartigheid, opdat hij de minste onder de miseriemensen niet vergeet, noch ver­laat, als die zich aan hem toevertrouwt.

     Geef hem de kracht, o God, opdat de last van allen hem niet teveel bezwaart,  opdat de nood die hij torst zijn vreugde niet aantast, en de wonde die hij verbindt hem niet kwetst."

 

                       Marie Noël (1883-1967), Intieme Nota's

 

"Mag ik vragen om genezing ?"

 

     Laten wij God daarin beslissen !

 

     " Heer, ik weet dat ik maar één ding weet : Dat het goed is U te volgen, en kwaad om U te beledigen. Daarna weet ik niet meer wat in alles het beste is, of het slechtste.  Ik weet niet wat mij het meest ten goede komt, de gezondheid of de ziekte, rijkdom of armoede, of van al de dingen van de wereld. Dat onderscheid gaat de mensen en de engelen te boven  en het zit verborgen in de geheimen van uw Voorzienigheid, die ik aanbid en niet wil doorgronden."

   Blaise Pascal (1623-1662), Gebed voor het goed Gebruik van de Ziekten,XIV

 

     " Vermits er  niets  gebeurt  tenzij  door  de  ordening  van  de wil van een Vader - God, en vermits een Vader - God niets kan bevelen dan voor het welzijn van zijn kinderen, als men Hem laat doen.  Aanbid en aanvaard dan de huidige ziekte, door niets te vragen dan de vervulling van zijn zeer heilige wil. Hij is een almachtige God, die u er in één oogwenk

20

 

volmaakt van kan genezen. Een oneindig wijze en oneindig verlichte God, die zeer goed de manier kent hoe men het moet aanvatten om die genezing te doen verder gaan. Het is een God, de Goedheid zelve, aan wie geen goede wil kan ontbreken, indien het voordelig is om u ervan te genezen voor uw zaligheid. Waarom dan niet in vrede blijven, en rustig, zo onder Gods hand, die kan, en die weet, en die wil. Heb dus geen ander gevoel, in deze ziekte, dan dat van de Profeet: "Voor mij is het goed om God aan te kleven." (Ps. 73,28)

 

                          Alexandre Piny (1640-1709), Brief 33   

 

" Mag ik vragen om verlichting? "

 

     " Het kruis van het ziek-zijn heeft dit voordeel, liefste Zuster, of beter, gij hebt zelf dit voordeel, dat ge niet twijfelt dat dit het kruis is waar God u wil hebben, vermits het dat kruis is, waarvan de natuur noch onze eigen beschikking wil weten, en dat het nog minder zoekt. En zo, vermits alles wat ons van God komt slechts goed en zeer goed kan zijn, als wij het maar willen aanvaarden, stem dan in, mijn liefste zuster.  Aanvaard en wil, als een welgeboren kind, wat een God-Vader wil voor het wel en het heil van zijn kind. Wat de kleine verlichtingen betreft die men u erin kan geven, neem ze - te beter indien gij ze neemt - op voorwaarde dat gij, voor gij ze neemt, betuigt voor God  dat gij alleen verlichting wilt in uw lijden voor zoveel zijn goddelijke Voorzienigheid er u wil geven, en op voorwaar­de dat gij in wat u zal voldoen, altijd een andere reden zoudt hebben en een ander doel dan uzelf te vol­doen.

 

     Tenslotte, wat het gebrek aan toeleg aangaat in uw gees­telijke oefeningen tijdens de duur van de ziekte, herinner u dat als de geest moeite doet om zich hiervoor in te spannen, het hart en de wil  op God kunnen gevestigd blijven en even gemakkelijk kunnen beminnen als de geest het moeilijk kan.  Men moet immers alleen de gesteltenis van hart

aannemen om te willen beminnen, te willen bidden en te willen verlaten worden, om in waarheid ook echt te beminnen, te bidden, te willen verlaten zijn, vermits dat te willen steeds in uw macht ligt, hoe ziek gij ook zijt,"

                           Alexandre Piny (1640-1709), Br. 155

 

     En veronderstel nu dat de Heer ons de keuze laat tussen de gezondheid en de ziekte.

 

    " Op een nacht begon de zieke, in hoge koorts, zich  onge­rust af te vragen of daaruit een verandering van haar kwaal in kwade of in goede zin moest voortkomen. En de Heer verscheen haar, met in de rechterhand de gezondheid en in de linker de ziekte en Hij bood haar beide handen opdat zij zou kiezen wat zij verkoos. Maar zij duwde de beide weg, drong met vurigheid tussen de handen van de Heer door tot aan zijn hart, dat hart vol oneindige zoetheid, waar zij wist dat de volheid van alle goed berust, en verlangde niets tenzij zijn alleraan­biddelijk­ste wil. De Heer ontving haar met tederheid, omhelsde haar zachtjes en trok haar op zijn hart opdat zij er zou rusten. Maar zij wendde aanstonds haar gezicht af, drukte alleen haar hoofd tegen de borst van de Heer, en zei : "Zie, Heer, ik keer mijn gezicht van U af, want het enige verlangen van mijn hart is dat Gij niet mijn wil bekijkt, maar dat Gij in alles uw aanbiddelijk goedvinden vervult." Deze trek doet ons opmerken dat de getrouwe ziel zich in alles schikt naar Gods leiding, met een zo zeker vertrouwen, dat zij er vreugde in vindt niet te weten wat de Heer met haar doet, opdat de volmaakte vervul­ling van het goddelijke goedvinden in haar er alleen maar zuiverder door zou zijn...

  

     - En laten wij, voor zover, niet te veel zoeken te weten te komen  hoe de evolutie van onze ziekte zal zijn :

 

     De zieke sprak tot de Heer: "Zoudt Gij U niet verwaar­digen, Vader van alle barmhartigheid, om mij, na deze zevende opstoot van de ziekte, mijn vroegere gezondheid terug te geven ?"  De Heer antwoordde : "Indien Ik u bij het begin had laten weten dat gij

21

 

zevenmaal bedlegerig zoudt zijn, had gij misschien uit menselijke zwakheid schrik gekregen, zodat gij zoudt vervallen in de zonde van ongeduld. En indien Ik u nu beloofde dat dit de laatste keer is dat gij aan deze ziekte lijdt, zoudt gij zeker niet nalaten om uw hoop volledig in uw gene­zing te stellen, en uw verdienste zou erdoor verminderd wor­den. Daarom heeft de vaderlijke Voorzienigheid van mijn onge­schapen wijsheid, voor uw welzijn, besloten u in de dubbele onzekerheid te laten, hetgeen u verplicht om van ganser harte naar Mij te

verlangen, en in al uw moeilijkheden, zo uitwendi­ge als innerlijke, u met vertrouwen aan Mij te geven, die u met zulke tedere trouw voor ogen houd en voor u zorg, en niet toelaat dat gij boven uw kracht belast wordt, want Ik ken best de broosheid en de zwakheid van uw geduld."

          H. Geertrui van Helfta (1256-1301), De Heraut, III, hs 52-53,55 

 

     En ziehier wat de H. Franciscus van Sales, drie eeuwen later, met die tekst gedaan heeft :

 

      " Indien ik door zware koorts ziek word, zie ik in die gebeurtenis dat Gods goedvinden wil dat ik onverschillig blijf over ziekte of gezondheid.  Het is echter (ook) Gods wil dat ik de geneesheer ontbied en alle remedies toepas die ik kan (ik zeg niet de meest uitgelezen, maar de gewone en gangbare)... Daarna moet het mij volmaakt onverschillig laten of de ziekte de remedie overwint of de remedie de ziekte, zodat, indien de ziekte en de gezondheid daar vóór u stonden, en Onze Heer ons zou zeggen : “Als gij kiest voor de gezondheid, zal Ik u geen grein van mijn genade onthouden. Kiest gij voor de ziekte, dan zal ik ze ook niet zwaarder maken, maar bij de keuze voor de ziekte komt er wat meer van mijn welbehagen. Dan zal de ziel, die zich volledig verla­ten heeft en in Gods handen overgegeven, ongetwijfeld de ziekte kiezen, alleen maar omdat er wat meer van Gods welbeha­gen in steekt. Ja,  zelfs al was het om voor het hele leven lang bedlegerig te blijven, zonder wat anders dan afzien, dan zou zij voor niets ter wereld een andere staat verkiezen dan deze. Zo hebben de heiligen in de hemel een zodanige eenheid met Gods wil, dat indien er wat meer van zijn welbehagen zat in de hel dan in de hemel, zij het paradijs zouden verlaten om naar de hel te gaan.

 

     ...Die ziel doet niets anders tenzij bij onze Heer te blijven, zonder zich om iets anders te bekommeren, zelfs niet om haar ziel of haar lichaam. Want vermits zij  scheep ge­gaan is on­der Gods Voorzienigheid, wat moet zij dan hoeven te denken over wat van haar zal geworden ? Onze Heer, aan wie zij geheel is overge­geven, zal er genoeg aan denken voor haar... Wel is het waar dat men een groot vertrouwen moet hebben om zichzelf zo te verla­ten, zonder enig weerhouden, op de goddelijke Voorzienig­heid, maar, wanneer wij alles verlaten, zorgt God dan ook voor alles en leidt Hij alles."

          H. Franciscus van Sales, Waarachtig geestelijk Onderhoud,

Over het Vertrouwen. 

 

     Het is zeker niet verboden om te verlangen te willen genezen, maar laten wij, veel dieper, van onze beproevingen even zoveel gelegenheden maken om ons sterker met Christus te verenigen, en ons vandaar verlaten op de liefhebbende wil van zijn Vader :

 

     " Het Onzevader dat gij zegt voor uw hoofdpijn is niet verboden. Maar, mijn God, ik zou de moed niet hebben om Onze Heer te bidden,  bij het lijden dat Hij in zijn hoofd heeft geleden, om er geen het minste in het mijne te hebben. Heeft Hij geleden opdat wij niets zouden verdragen ? Toen de H. Catha­rina van Siëna zag dat haar Heiland haar twee kronen voor­hield,  een gouden en een uit doornen, zei ze: " O, ik wil de pijn in deze wereld, de andere zal voor de hemel zijn !"  Ik zou de kroning van onze Heer willen gebruiken om een kroon van geduld te bekomen rond mijn hoofdpijn."

 

           H. Franciscus. van Sales, Brief aan een Non, begin 1618

22

Een moeder, die over ons waakt.

 

     Een moeder deelt in de beproevingen van haar kinderen, zij begrijpt hun opstandigheid en doet alles wat van haar afhangt voor hun geluk : Omdat zij onze Moeder is,  is de Maagd Maria ons zeer nabij in de ziekte. Wenden wij ons tot haar met het vertrouwen dat een kind kan hebben in haar, die het haar leven schonk, haar liefde en haar tederheid :

 

     " Wanneer de stormen van de bekoringen opsteken, wanneer gij de klippen van de beproevingen nadert,  kijk dan naar de ster, aanroep  Maria !

     In de gevaren, in angsten en twijfels, denk aan Maria, aanroep Maria : zij weze nooit weg van uw lippen, noch uit uw hart, en om de hulp van haar gebed te verkrijgen, keer u niet af van het voorbeeld van haar levenswijze.

     Zo gij haar volgt, zult gij niet verdwalen. Indien gij haar aanroept, zult gij niet wanhopen. Als gij haar in gedach­ten houdt, zult gij u niet vergissen.

     Zolang als zij u vasthoudt, kunt gij niet vallen.  Zolang als zij u beschermt, hebt gij niets te vrezen. Zolang als zij u leidt, stapt gij zonder vermoeidheid, en door haar gunst, z­ult gij tot het einde gaan."

 

            H. Bernardus (1090-1153), Lof aan Maria, 2e homilie.

 

      " Herinner u, en bedenk, zoete Maagd, dat gij mijn moeder zijt en dat ik uw kind ben. Dat gij machtig zijt en ik een arme, kleine en zwakke mens.

     Ik smeek u, allerzoetste Moeder, dat gij mij leidt en verdedigt in al mijn wegen en handelingen.

     Zeg niet, bevallige Maagd, dat gij dat niet kunt of moogt, want uw welbeminde Zoon heeft u alle macht gegeven, zowel in de hemel als op de aarde.

     Zeg niet dat gij dat niet moet, want gij zijt de gemeenschappelijke moeder van alle arme mensen, en in het bijzonder mijn moeder.

     Zo gij het niet vermocht, zou ik u verschonen en zeggen : Het is waar dat zij mijn moeder is, en dat zij mij als haar zoon bemint, maar die arme stumper mist bezit en macht.

     Waart gij niet mijn Moeder, dan zou ik met reden geduld oefenen en  zeggen : Zij is rijk genoeg om mij bij te staan, maar helaas, zij is mijn moeder niet, zij bemint mij niet.

     Vermits gij dan mijn Moeder zijt,  allerzoetste Maagd, en machtig, hoe zou ik u dan verontschuldigen indien gij mij niet verlicht en mij uw hulp en bijstand niet verleent ?

     Gij ziet, Moeder, dat gij verplicht zijt om in te stemmen met al mijn vragen.

     Voor de eer en de glorie van uw Zoon, aanvaard mij als uw kind, zonder acht te slaan op mijn miserie en zonden. Bevrijd mijn ziel en mijn lichaam van alle kwaad, en schenk mij al uw deugden, vooral de nederigheid.

     Tenslotte: geef mij alle gaven, goederen en genaden ten geschenke, die  de Heilige Drie-Eenheid, Vader, Zoon en Geest believen. Amen."

 

     Gebed toegeschreven aan de H. Franciscus. van Sales (1567-1622)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

23

VI – VERENIGD MET JEZUS  IN ZIJN LIJDEN.

 

     "Ik vul aan, in mijn vlees wat nog ontbreekt aan de beproe­vingen van Christus, ten bate van zijn Lichaam, dat de Kerk is." (Kol. I,24) Onze beproevingen zijn die van Christus, ten titel van de volmaakte vereenzelviging tussen Hem en ons, die Paulus toelaat te spreken over het lichaam van de christen als van een lid van Christus' lichaam. Een pijnlijk mysterie, jawel, maar dat zijn laatste betekenis geeft aan ons lijden, en dat van de zieke een missionaris maakt en een apostel :

 

     " Al ons lijden werd geïntegreerd in de Passie van Chris­tus, in dat onmetelijk uur van Gethsemane, en is, in het zijne, redding brengend, hetzij voor één enkele welbeminde ziel - echtgenoot, kind, broer, vriend - hetzij breder, voor een volk, voor een Kerk, voor een Vaderland.

     Gij allen die onschuldig lijdt, zoals de Schuldeloze God.

     Wij zijn allen martelaars.

     Wij zijn allen hosties.

     Wij zijn allen Redders en Verlossers.

     Maar men moet ermee instemmen. Men moet tegenover het lijden het "ja" toezeggen van de Liefde van het huwelijk.

     Nutteloos is het niet aanvaarde lijden, het lijden dat af­wijst, het lijden dat zichzelf verafschuwt.

     Indien Christus in de heilige hof neen had gezegd, indien Hij zijn kruis had gehaat, dan was Hij misschien ge­kruisigd, maar Hij had de mensen niet vrijgekocht.

     In zijn Fiat, alleen door zijn Fiat, is het offer vol­bracht.

     In zijn Fiat waren al onze toestemmingen van Liefde tot het Kruis besloten.

     En het is in ons lange Fiat, doorheen het verscheurende verloop van de geschiedenis, in de loop van de lijdzame le­vens, dat Hij, van ons, mensen - door de onschuldige offers - de ontelbare druppel van pure moed gekregen heeft, die, aange­boden door de engel in de lijdenskelk, de bondgenoot werd van zijn strijdend bloed en zijn eeuwige dronk van troost."

 

                      Marie Noël (1883-1967), Intieme Nota's

 

Over het kleine getal van hen, die het kruis van Jezus-Christus beminnen.              

 

     Jezus vindt veel vrienden van zijn hemels rijk, maar weinig vrijwilligers om zijn kruis te dragen.

     Hij vindt veel gezellen voor zijn tafel, maar weinig voor zijn vasten.

     Allen willen zich met Christus verheugen, maar weinigen willen voor Hem iets verdragen.

     Velen volgen Christus tot aan het breken van het brood, maar weinigen tot aan het drinken van de kelk van zijn lijden.

     Velen bewonderen zijn mirakelen, maar weinigen volgen Hem tot in de vernedering van het Kruis.

     Velen volgen Christus zolang er hen geen tegenspoed over­komt, velen loven en prijzen Hem zolang als zij van Hem ver­troostingen ontvangen, maar wanneer Jezus zich één ogenblik verbergt en alleen laat, vallen zij in verwijten of in over­dreven neerslachtigheid.

     Maar zij die Jezus voor Hemzelf beminnen, en niet voor hun eigen vertroosting, beminnen en zegenen Hem in de beproe­vingen en angsten van het hart, evengoed als in de grootste vertroostingen. En zo Hij hun nooit de minste vertroosting wilde schenken, zouden zij Hem toch blijven loven en hun dank betui­gen."

         Thomas a Kempis 1379-1471), Navolging  van Christus, II,11

 

     Ja, het mysterie van het lijden begint zich te verklaren, wanneer wij zien dat Jezus ons kruis nadert, het op zich neemt, en met ons tot op de Kalvarieberg klimt.

 

     " O verlaten Jezus, en toch tegelijk de toevlucht van de verlaten zielen, uw liefde leert mij dat het van uw verlaten­heid is dat ik al de kracht moet putten, die ik behoef om die van mij

24

 

te verdragen. Ik ben overtuigd dat de grootste verlaten­heid waarin ik kan geraken ware, dat ik geen deel heb aan de uwe. Maar Gij hebt, door uw overgave, verdiend dat de hemelse Vader mij geenszins verlaat, en dat Hij mij nooit nader is geweest door zijn barmhartigheid, dan wanneer ik het meest met U verenigd ben door de verlatenheid, o Jezus.  Ik bezweer U, o mijn God, door uw verlatenheid, niet om mij niet te bedroeven, maar om nooit te versagen in de droefheid, dat Gij mij leert om er U te zoeken als mijn enige vertrooster.  Geef mij de genade om er uw hand in te herkennen, en er geen andere troos­ter in te verlangen dan U."

 

     H. Bernadette Soubirous (1844-1873), Carnet intime, 1873

 

      "Jezus Christus heeft geleden, uit liefde tot ons.  Laten wij lijden uit liefde tot Hem.  Christus heeft het kruis gedra­gen, laten wij Hem helpen dat kruis te dragen. Jezus is onteerd geworden, laten wij geen eerbewijzen zoeken.  Jezus heeft het lijden verdragen, dat ik het dan ook verdrage. Jezus heeft de armoede gekend, Hij heeft hier beneden, om mijnent­wil, geleefd als een vreemde, dat ik dan ook nergens een plaats hebbe waar mijn hart rust. Hij is voor mij gestorven, mijn leven zij een voortdurend sterven, uit liefde tot Hem. "Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij", (Gal. 2,20) De gekruisigde, terechtgestelde, verlaten en alleen door zijn Va­der aanvaarde Christus : Die Christus wil ik, dààr is het dat ik Hem zoek, en daarbuiten wil ik Hem niet !  Hij doe met mij wat Hij wil, want voor Hem wil ik lijden.  Of Hij mij beloont of niet, alleen lijden voor Hem is de hoogste beloning.  En indien Hij mij enige gunst wilde verlenen, zou ik er Hem geen andere vragen dan beproevingen, want ik zou zo kennen dat ik Hem bemin en dat Hij mij bemint en mij op het kruis zou plaat­sen dat hier beneden het zijne was."

                                   H. Johannes van Avila, Brief 23

 

     Wij moeten in onze kruisen een teken zien van de godde­lijke uitverkiezing. Door ons die te schenken, laat God toe wat Hij heeft toegelaten voor Jezus, zijn welbeminde. Als, en vooral dan, het kruis ons te zwaar lijkt (anders ware het geen kruis !), laten wij dan beginnen met de Heer te danken wanneer het er aankomt, want wij weten, ja, wij weten dat het Christus' Kruis is, en dus heimelijk drager van heel zijn liefde.

 

     Laten wij onze kruisen niet verspillen, "het zijn krui­mels van geconsacreerd brood", zal Martial d'Etampes ons zeggen.  Laten wij ze met moeite beleven, zeker, in geroep en tranen, maar laten wij er niet voor vluchten. Laten wij niet trachten ze te overkomen (indien dat lukte, waren het weeral geen kruisen), maar ze offeren, met al onze onhandigheid. Niet: "Heer, met mijn en uw kracht zal het lukken !"  Maar: "Mijn God, ik weet niet hoe ik eruit geraak, ik heb teveel pijn... trek uw plan !"

 

     " De heilige Johannes Chrysostomus zegt dat wij in deze wereld al de moeiten en droefenissen met evenveel godsvrucht moeten ont­vangen als wij zouden doen voor een stuk van het echte Kruis, dat ons ­toegezonden zou zijn door de H. Vader uit Rome. Van­daar kunnen wij zien hoe alle lijden, hoe klein ook, een deelname  betekent aan het kruis van Christus en als zodanig moeten wij naar het kruis verlangen, om ons met God te vereni­gen, meer dan naar alle vertroostingen, die ons dikwijls van Hem losma­ken. Daarom moeten wij de pijnen, hoe klein ook, niet minachten noch laten vallen, want het zijn broodkruimels, geconsa­creerd door het lijden, die ons toegezonden worden van de tafel van Jezus Christus, die tafel die het kruis is, tot voedsel van de armen die honger lijden naar God, het zijn druppels bloed van het avondmaal van het Lam, vergoten om de verliefde, kwijnende hartstocht te laven van de serafijnse zielen, die tot devies hebben: "Of lijden, of sterven."  Zij zullen ze onthalen als edelstenen, die hun zullen dienen om God aangena­mer kronen te bieden, dan eender welke oefening."

 

   Martial d'Etampes (1575-1635), Oefening der drie Nagels, IV,5

 

25

 

     Het gaat er niet om het kruis al of niet te dragen - het kruis is niet te vermijden -  maar het te dragen met Christus of zonder Christus. Want Christus is aan het kruis gestorven, niet uit liefde tot het kruis, maar uit liefde tot ons, wij, die op het kruis gestorven waren.

 

     Op welke manier verandert Christus' kruis dan het onze ?  Het verandert ons kruis niet, het keert het om : Van een oord van dood en weigering, maakt zijn kruis een oord van leven, liefde en geluk. De pijn wordt er niet door verminderd, maar zij wordt voortaan de pijn van een bevalling. Rechtuit, zijn de heiligen ongelukkige mensen ?

    

     " Maak dan, Heer, dat ik mij, zoals ik ben, voeg naar uw wil, en ziek zoals ik ben, u love in mijn lijden... En omdat niets God welgevallig is tenzij het Hem door U aangeboden wordt, verenig mijn wil met de uwe, en mijn smarten met die welke Gij  geleden hebt. Maak dat mijn lijden het uwe wordt. Verenig U met mij, vervul mij met U en met uw Heilige Geest.   Kom binnen in mijn hart en in mijn ziel om er mijn pijnen te lijden en om in mij verder te verdragen wat er u nog te lijden overblijft in uw Passie. Uw Passie, die Gij verder voltooit in uw leden, tot de volkomen voltooiing van uw Lichaam. Opdat ik, volledig van U vervuld, niet meer zelf zou leven en lijden, maar dat het Gij zijt, die in mij leeft en lijdt, o mijn Redder. En mocht Gij mij, die deel heb aan een klein deeltje van uw lijden, volledig vervullen met de glorie die uw pijnen uw lijden u verworven hebben en waarin Gij leeft met de Vader en de H. Geest, in alle eeuwen der eeuwen.  Amen.”

 

    Blaise Pascal (1623-1662), Gebed voor het goed Gebruik van de Ziekten,XV

 

     In de grond ligt het kruis helemaal in onze weigering van het kruis.  Laten wij het beleven, zoals Jezus het heeft be­leefd, in de liefdevolle afhankelijkheid van zijn Vader en van een gevreesde vloek wordt het omgevormd in een bron van zegen:

 

     "Het kruis komt van God, maar het is een kruis omdat wij het niet

aannemen; want wanneer men vastbesloten is om het kruis te willen dat

God ons geeft, is het geen kruis meer. Het is alleen maar een kruis, omdat wij het afwijzen, en, indien het kruis van God komt, waarom aanvaarden en willen wij het dan niet ?"

 

   H. Franciscus  van Sales (1567-1622), aan de H. Jeanne de Chan­tal,

 rond 1613

 

 

 

VI -  VAN DEZE AARDE VERTREKKEN

 

 

 " Ga ik sterven?"

 

     Ja, alleszins. En dat mijn aardse leven vandaag eindigt, of morgen, of over twintig jaar, verandert daar niets aan. Maar :

 

     " Het is niet de dood die mij komt halen, maar het is de goede God. De dood is geen spook, een verschrikkelijk monster, zoals men dat voorstelt op prenten. In de catechis­mus staat : “de dood is de scheiding van de ziel en het li­chaa­m”, alleen maar dat !"

 

    H. Theresia v.h. Kind Jezus (1873-1897), Laatste Gesprek­ken, 1 mei 1897

 

“Ziedaar, daar komt mijn teergeliefde …"

 

     " Zie, hier komt mijn teergeliefde...", zingt de Bruid in het Hooglied. Op de avond van zijn doortocht op aarde, weet de christen dat hij opgaat naar een liefdesrendez-vous, voorbe­reid door die luttele jaren die hem hier beneden zullen toege­laten hebben om Hem te kennen en te begeren

26

 

die naar hem toekomt, opdat hij vrijwillig zou kiezen, in eeuwigheid en in haar volle rijkdom, de vereniging te beleven waarvan alle verlief­den ter wereld dromen.

 

     "Op het einde van uw dag, volledig verteerd en onmachtig in de verwachting om eeuwig te genieten van Gods aanschijn en dat van het Lam, zoeter dan honing, werp u in de armen van Jezus, uw bruidegom en uw geliefde !  Dat een kus u helemaal hechte aan zijn verliefd hart, eis van Hem die overmachtige kus die u zal doen sterven aan uzelf, nu, en u zal doen over­gaan in God bij uw dood, opdat gij éénzelfde geest wordt met Hem ( I Ko. 6, 17), gij, die roept in uw dorstig verlangen : "Zoals het hert verlangt naar stromend water, zo verlangt mijn ziel naar U, o God !"...

 (Ps. 42,2)

 

     O ja, Liefde ! Gij wiens kus zo zoet is, Gij zijt de bron waarnaar ik dorst. Voor U is het dat mijn hart brandt. O, onme­telijke zee, moogt Gij, ja, moogt Gij mij in U opslorpen, mij, pover druppeltje !  Gij zijt voor mijn ziel een levende en o zo zachte doorgang dat ik aan mezelf sterf in U. O ja, die heilzame doorgang van uw hart, mij zo dierbaar, ga voor mij open !  Mijn hart is reeds niet meer in mij, maar Gij, o mijn welbeminde schat, bewaar het in uw geheime kamer, Gij die zijn enige rijkdom zijt, zo helemaal en zo teder zijn enige rijk­dom...

 

     O mijn zoete Avond, wanneer voor mij de avond van dit leven zal

gekomen zijn, doe mij zachtjes in U inslapen, en die gelukzalige rust kennen, die in U bereid is voor die U dier­baar zijn.   Dat de zo kalme en gracieuze aanblik van uw schone liefde de voorbereidselen van mijn bruiloft adellijk moge schikken. Bedek en versluier de miserie en de armoede van mijn onwaardig leven met de rijkdommen van uw goedheid, opdat mijn ziel in alle vertrouwen moge wonen in de uitgelezen genoegens van uw welda­dige liefde.  O Liefde, wees mij dan een avond zo mooi, dat mijn ziel door U tot mijn lichaam een zacht vaarwel zegge in vreugde en blijdschap, en dat mijn geest, die naar God terug­keert die hem heeft gegeven, genotvol rust moge vinden in uw scha­duw. Dan zult Gij mij openlijk zeggen, in de zoete voois van uw eigen stem: "Zie, de Bruidegom komt, treed nu naar bui­ten, kom u inniger met Hem verenigen, opdat Hij u verblijde door de glorie van zijn aanschijn."  O, welk geluk, welke zaligheid voor wie zijn aards verblijf zich in U voltooit!­...      

 

Wanneer, wanneer toch zult Gij U aan mij vertonen, opdat ik U zie en met genot putte aan de levende bron van uw god­heid ?  Dan zal ik drinken en mij bedwelmen aan de overmaat van de zoetheid van die levende bron, die vloeit als honing van het aangezicht dat mijn ziel begeert... Dàn zal ik mijn Jezus schouwen, de waarachtige Bruidegom van mijn ziel, en mij met Hem verenigen in een kus, met Hem aan wie mijn dorst mij reeds verkleeft, terwijl mijn hele hart naar Hem uitgaat."

 

               H. Gertrudis van Helfta (1256-1302), Oefening V

 

     " En zo is de dood van zulke zielen altijd zeer zacht en zoet, meer dan hun geestelijk leven ooit geweest is, want zij sterven in hogere vervoeringen en smaakvolle liefdesbejegenin­gen, zoals de zwaan die zoeter zingt wanneer zij gaat sterven. Daarom zegt David dat de dood van de rechtvaardigen kostbaar is in onderwerping aan God (Ps. 115,15), want hier komen alle rijk­dommen van de ziel bijeen, de stromen van liefde van de ziel storten zich dan in de zee en zijn zij zo breed en zo gezwollen, dat zij reeds op de zee gelijken.  Het begin en het einde van haar schatten vloeien samen om de recht­vaardige te vergezellen, die heengaat en vertrekt naar zijn rijk. Terwijl van de uiteinden der aarde de lofzangen worden gehoord, die de glorie van de rechtvaardigen bezingen.

(Is. 24,16­)."

 

             H. Johannes van het Kruis (1542-1591), Levende Vlam, I,30

 

 

27

 

En om ons er op voor te bereiden,      

 

     is er zeker geen sprake van vreugde te voelen omdat men moet sterven.   Dat gevoel van vreugde hangt niet van ons af. Hoeveel grote heiligen is die vreugde niet ontzegd !  Stellen wij ons tevreden met wat afhangt van onze vrije wil, door de genade gewaar­schuwd : Dat is, geenszins naar de natuur te luisteren, en volop te willen wat ons niet vergund is te smaken.  Dat de natuur deze zo bittere kelk verwerpt, maar dat de ingekeerde mens met Christus zegge : "Wat er ook ge­beurt, niet wat ik zou willen, maar wat Gij wilt." De heilige  Francis­cus van Sales maakt onder­scheid tussen de instemming en het gevoelen. Men is geen meester over hoe men het aanvoelt, maar men is meester over de in­stem­ming dank zij de genade van God.

 

     Wacht de dood af, zonder er u droevig mee bezig te hou­den op een manier die het lichaam teneerdrukt en de gezond­heid verzwakt. Men wacht genoeg op de dood, wanneer men zich van alles tracht te onthechten, wanneer men zich vreed­zaam vernedert over zijn minste fouten, met het verlangen ze te verbeteren,  wanneer men verder gaat in Gods aanwezigheid.  Wan­neer men eenvoudig is, geduldig, lijdzaam in de ziekte, wan­neer men zich overgeeft aan de geest van genade om van haar afhankelijk te handelen. En, tenslotte, wanneer men zoekt om bij elke gelegenheid aan zichzelf te sterven vooral­eer de lichamelijke dood er aankomt. Maak gebruik van uw fouten om u te vernederen, verdraag de

naaste, vergeet de vergetelheid van de mensen.  De trouwe vriend, de uitverkoren bruidegom, zal u nooit vergeten."

 

                  Fénélon (1651-1715), Brief CIV (uitg. 1810)

 

 

 

VII - HET GEHEIM VAN DE HEILIGEN

 

      "In de leer bij de Heiligen" kan men alleen maar ge­troffen zijn door het geluk van die mannen en vrouwen, die nochtans dezelfde beproevingen hebben gekend als wijzelf, dezelfde ziekten, dezelfde moeilijkheden in het leven. Zij hebben niet elders geleefd, hun liefde tot God heeft hun het leven niet gemakkelijker gemaakt, integendeel. Wat is dan hun geheim ?  Wij raden dat het helemaal ligt in hun intimiteit met Jezus Christus. De theologen zouden ons uitleggen dat al onze tegenslagen gevolgen zijn van de erfzonde, van onze verbroken vereniging met God.  Maakt niet uit : Het volsta om vast te stellen dat de heiligen getuigen van een herstel in het oor­spronkelijke geluk, zij die de Christus tot het uiterste bemind hebben, door Hem toe te laten hen tot het uiterste te beminnen.  Als dan "de pure liefde" in hen regeerde, hebben zij het verloren paradijs teruggevonden, en wij hervinden het samen met hen, als wij maar aanvaarden om Jezus te ontvangen:

    

     "Niet alleen kan de pure liefde geen last voelen, maar zij kan niet begrijpen wat last en kwellingen betekenen, al waren het die van de hel, noch kan zij denken aan wie haar die zouden aandoen. Indien het de pure liefde mogelijk ware om al de pijnen te verdragen die de duivels en de verdoemden ondergaan, nooit zou zij kunnen zeggen dat het pijnen zijn. Omdat, indien zij zich rekenschap zou geven van de pijn, en er de beet van zou voelen, zij door het feit zelf buiten die liefde zou staan.  De ware en pure liefde is zo sterk, dat zij zich altijd vast en onbeweeglijk houdt in Hem die zij lief­heeft; zij staat nooit de vrijheid toe om iets anders te zien of te horen dan de pure liefde."

 

          H. Catharina van Genua (1477-1510), Boek van het Leven, 35, p.78

 

 

28

 

     " God kan onmogelijk iemand verlaten die dit beleeft. God kan die mensen niet méér verlaten dan Hij zichzelf verlaten kan, want zij hebben zich aan Hem overgeleverd, en zij houden zich aan de Ene en aan de Bron. Indien alle pijnen of smarten ter wereld op hen zouden vallen, zouden zij er geen aandacht aan schenken en zij zouden er niet de minste schade door ondervinden, want zij zijn puur genieten voor hun ziel, en zij zouden in alles het rijk der hemelen vinden, waarin zij hun levenswandel en hun verblijf hebben gesteld. Zij moeten alleen nog de andere voet, die zij nog hier beneden hebben, achter zich aanslepen, in de tijd, om onmiddellijk over te gaan naar het eeuwig leven, dat voor hen reeds nu begonnen is en dat eeuwig moet voortduren."

 

                         Jan Tauler (1300-1361), Sermoen 26,9

 

     Dat is gemakkelijk gezegd !  Maar wij zijn geen heiligen !  Misschien, maar dat belet niet deze heiligen onze weg verlich­ten. Het belangrijke is niet zozeer aangekomen te zijn waar zij reeds zijn, dan wel dat wij met hen vooruitgaan in dezelfde rich­ting :

 

     "In de mate dat uw eigen broosheid u aanspoort om te zondi­gen, wat terecht lijden en droefheid veroorzaakt bij wie zich daaraan overgeeft, ontbreekt u die zaligheid nog.  Maar hoe meer gij de zonde vermijdt, des te meer treedt gij buiten uzelf om in u te vernietigen waar gij nog langer lijden of droefheid kunt ervaren. Daar waar het lijden voor u geen lijden meer is en afzien geen afzien, daar waar gij in alles alleen de vrede vindt, daar zijt gij, in waarheid, op de goede weg.  En dit alles gebeurt door het verzaken van de eigen wil, want deze mensen ontdoen zich van zichzelf, in hun brandende dorst naar Gods wil en zijn gerechtigheid.  Gods wil schijnt hun zo verheugend, zij vinden er zoveel genot in, dat alles wat God hen overzendt voor hen een vreugde is, en zij niets anders willen of verlangen."

 

  Zal. Henri Suso (1295?-1366), Boek van zijn Leven, XXXII

 

      "Ja, dat is het !  Ik ben niet meer, zoals in mijn kinds­heid, toegankelijk voor elk lijden.  Ik ben als verrezen, ik ben niet meer waar men gelooft dat ik ben... O ! wees niet bedroefd om mij, ik ben ertoe gekomen dat ik niet meer kan lijden, omdat elk lijden mij zoet is."

 

   H. Theresia van het Kind Jezus (1873-1897), laatste Ge­sprekken, 29.05.1897

 

 


29

WIE  ZIJN  ZIJ  ?

 

 

AUGUSTINUS van HIPPO (Heilige. 354-430), zoon van een heidense  vader en van de vrome H. Monica. De beroemdste, meest gelezen en meest becommentarieerde onder de Latijnse kerkvaders; Berber uit het huidige Algerije. Zijn onmetelijk werk zet de Middeleeuwen in. Opgesteld op het ogenblik dat de invallen der barbaren het einde van de Oudheid inluiden, beheerst het de theologie en de spiritualiteit van het Westen.

 

BERNARDUS  (Heilige, 1090-1153), van nobele Bourgondische afkomst. Treedt in te Clairvaux in 1112, is er weldra abt, en ligt aan de oorsprong van de wonderbare kloosterhervorming in het Westen (van de Cistersiënzers), die gekenmerkt wordt door  gehechtheid aan de primitieve soberheid van de H. Benedictus.

 

BERTOT  (Jacques,  1620-1681), Geboren te Coutances, werd Bertot een van de grote geestelijke leiders van de XVIIe eeuw, eerst in Normandië, later in Parijs bij de Benedictinessen van Montmartre.  Bij de mensen, die rond dit klooster verzamelden, was het Mme. Guyon, die het meest van zijn leiding genoot.

 

BINET  (Etienne, 1569–1639), Jezuïet, geboren in Dijon, in Parijs medeleerling en vriend van de H. Franciscus van Sales, waarmee hij verbonden was bij het begin van de Visitatie in de hoofdstad. Zijn talrijke werken over geestelijke opvoeding, heel blijmoedig, zijn gans in de lijn van de Salesiaanse spiritualiteit van een voor ieder bereikbare heiligheid.

 

CATHARINA VAN GENUA  (Heilige,  1447-1510), Uit de adellijke familie van de  Fieschi. Te midden de politieke Italiaanse rivaliteiten, bekeert Catherina zich op haar 26e , na enkele menselijk en geestelijk magere jaren en wijdt zich aan de zorg voor de zieken. Haar onderricht, door haar volgelingen genoteerd, getuigt van de inwendige kracht van haar, die men de bijnaam “De grote dame van de zuivere liefde”, gegeven heeft.

 

CAUSSADE  (Jean-Pierre de -, 1675-1751). Uit een adellijke familie van Quercy. Studeerde bij de Jezuïeten in Cahors en trad binnen in de orde. Hij werd professor, prediker en geestelijke leider. Nauw verbonden met Fénélon en de Salesiaanse traditie, is hij er de vertegenwoordiger van de mystieke lijn op het moment dat het Jansenisme de Franse ziel begint te verstikken.

 

FENELON  (François de la Mothe, 1651-1715), uit de Périgord, wordt leermeester van de Dauphin van Lodewijk XIV, de hertog van Bourgondië. Zijn onvoorwaardelijke verdediging van de mystieke Mme. Guyon tegenover Bossuet, doet hem als Aartsbisschop van Cambrai in ongenade vallen in 1695.

 

FOUCAULD  (Zalige Charles de, 1858-1916) , Na een losbandige jeugd, bekeert de gefortuneerde jonge officier zich na in contact te zijn gekomen met Abbé Huvelin en wijdt zich toe aan de Heer, eerst als Trappist, later in het Heilig land en uiteindelijk als kluizenaar te midden van de nomadenstammen in de Sahara.   

 

FRANCISCUS VAN SALES (Heilige-, 1567-1622), model voor de bisschoppen van de Contrareformatie, met Jeanne de Chantal stichter van de Visitandinnen. Was vooral een even groot geestelijk leider voor het grote publiek (Introduction à la Vie dévote, en brieven) als in zijn Tractaat over de Liefde Gods, een meester­lijke analyse van het geheel van het innerlijk leven.

GERTRUDIS  (Heilige-, 1256-1301), Gertrudis gaat aan 5 jaar binnen in het klooster van Helfta (Saksen), dat geleid wordt door Gertrud von Hackeborn en haar zuster de Helilge Mechtildis. Voorbeeld van de vrouwelijke mystiek in de XIIIe eeuw die zich uit door visioenen en openbaringen van zeer hoog litterair gehalte.

 

GAY  (Charles 1815-1892), voorbeeld van de terugkeer tot de Katholieke Kerk van de grote burgerlijke families na de Franse Revolutie.  Werd hulpbisschop van Poitiers naast Kardinaal Pius.

 

30

 

Sterk verbonden met het “renouveau” van het gewijde leven in de XIXe eeuw. Zijn conferenties en brieven tonen een diepgaand pedagoog van het inwendig leven.

 

GUYON  (Jeanne-Marie, 1648-1717) , Geboren in Montargis, werd Jeanne-Marie de La Motte weduwe aan 28 jaar weduwe van de zeer rijke Jacques Guyon. Haar “mystiek apostolaat” deed hartstochten oplaaien, tot de algehele veroordeling van het Quietisme, waarvan men haar in 1699, zowel om politieke als om religieuze redenen, beschuldigt.

 

JOHANNES VAN AVILA  (Heilige-, 1499-1569) , Geboren nabij Toledo uit een bekeerde Joodse familie. Priester in 1526 na studies te Salamanca en Alcala. Modelpriester volgens de geest van het Concilie van Trente. Was verbonden met al wat geteld heeft in het Spanje van de XVIe eeuw. Vruchtbaar schrijver, predikant en geestelijk leider, kreeg hij veel invloed in Frankrijk langs de heilige Franciscus van Sales.

 

JOHANNES VAN HET KRUIS  (Heilige-, 1542-1591) Ongeëvenaard lyrisch dichter. Hervormde met de H. Teresa van Avila het karmelitaanse leven in Spanje en later dat in heel de wereld.  Gesteund door een zeer uitzon­derlijk rijke persoonlijke ondervinding wordt hij dè meester van de geestelijke leiders in de Westerse moderne traditie.

 

GROU  (Jean Nicolas, 1731-1803), Geboren in Calais, treedt de jonge Grou aan 15 jaar in bij de Jezuïeten. Schitterend professor in de letteren in La Flèche. Gaat in ballingschap in Lotharingen in 1763 bij de opheffing van de orde. Terug in Parijs wijdt hij zich aan geestelijke leiding voor hij terug in ballingschap moet gaan naar Engeland omwille van de Franse revolutie.

 

LEHODEY  (Dom Vital, 1857-1948) , Geboren nabij Coutances, diocesaan priester in 1880, treedt in 1890 in bij de trappisten van Briquebec (Manche).   Abt in 1895, werd tijdens de uitwijzingen van de clerus balling in Engeland. Groot contemplatief, zijn werken over geestelijke vorming kenden breed succes en gaven een resoluut mystieke oriëntatie aan het kloosterleven.

 

LIBERMAN  (Francois,  1802-1852) , Zoon van een Rabbijn uit de Elzas, gedoopt op 24 jaar onder de naam van François na een bliksemsnelle bekering. Richt zich naar het priesterschap dat hij eerst aan 40 jaar ontvangt wegens zijn zwakke gezondheid. Merkwaardig geestelijk leider en ook een van de grote acteurs van de evangelisatie van Afrika door de Congregatie van de H. Geest.

 

MARIE-NOEL  (1883-1967) , Geboren en overleden in Auxerre in een kleine burgerlijke familie leidde Marie-Noël een leven van eenzame beschouwing, gewijd aan de Christelijke poëzie. Ze was hiervan de belangrijkste Franse vertegenwoordigster in de XXe eeuw. Het geheim van deze poëzie ligt in de mystieke diepte, die tot uiting komt in haar vertrouwelijke nota’s.

 

MARTIAL D’ETAMPES  (1575-1635). Geboren te Etampes, treedt Jean Raclardy in bij de Kapucijnen in 1597, onder de leiding van de ontzaglijke Benedictus van Canfield. Gans zijn leven vormer van kloosterlingen, in Parijs en Amiens, incarneert hij de rol van de Kapucijnen in de mystieke vitaliteit van de Franse provincies in de XVIIe  eeuw. 

 

NEWMAN  (John Henri,  1801-1890) Zoon van een Londense bankier krijgt Newman in Oxford een briljante klassieke en patristische vorming. Hij is er een van de bezielers van de”Beweging van Oxford”, een vernieuwingsbeweging in de Anglicaanse kerk. Bekeerd tot het Katholicisme in 1845, briljant theoloog, wordt hij Kardinaal in 1879.

 

PASCAL  (Blaise, 1623-1662). Geboren in Clermont in Auvergne, zoon van een magistraat, krijt hij in Parijs een perfecte humanistische opvoeding in fysica en wiskunde. Zijn zeer godsdienstige, hoewel ongeruste, geest brengt hem er toe zijn pen in dienst te stellen van een gematigd Jansenisme, waarvan hij de meest schitterende vertegenwoordiger wordt.

 

PINY  (Alexandre, 1640-1709). Uit een oude provincaalse familie, Dominicaan, doceert Piny filosofie en theologie in Aix, in Marseille en later in Parijs. Belangrijk directeur en biechtvader

 

31

 

gedurende zijn ganse leven, sterft hij in geur van heiligheid, die overschaduwd werd door beschuldigingen van quiëtisme, die tegen hem geuit werden.

 

SCUPOLI  (Lorenzo,  1530-1610)  Geboren te Otrante, treedt in bij de Theatijnen te Napels, priester in 1577. Ongetwijfeld vals beschul­digd van grove misdaad in 1585, valt hij in ongenade bij de zijnen, tot aan zijn rehabilitatie op het einde van zijn leven, alleen gekenmerkt door nederigheid en discretie.

 

SUSO ( Zalige  Henri-, 1295 ?-1366) Geboren te Konstanz uit een welstellende familie, discipel v. Eckhart en tijdgenoot van Tauler in de orde van de Dominicanen.  Met hen vormt hij het hoogtepunt van de Rijnlandse mystiek. Een kwetsbaar en onrustig temperament, gemoeid in de troebelen van die periode.  Zo weerspiegelen zijn geschriften zijn beproevingen, maar zij blijven gecompenseerd door een bodemloze tederheid voor Jezus' persoon, wiens naam op zijn hart stond gegrift.

 

TAULER (Johannes, 1300 ?-1361) Geboren en overleden te Straatsburg, dominicaner predikant, met Eckhart en Suso een der groten van de Rijnland­se mystiek. Door de vertalingen van de Kartuize van Keulen zal heel de Noordse mystiek van de XIIe en XIVe eeuw onder zijn naam naar het Spanje van de Heilige Teresa en de Heilige Johannes van het Kruis overgaan.

 

THERESIA VAN HET KIND JEZUS (Heilige-, 1873-1897) Geboren te Alençon in een zeer godvruchtig gezin. Verliest zeer vroeg haar moeder en blijft een hypergevoelig meisje, tot aan haar besliste en totale overgave in Gods armen op Kerstdag 1886. Treedt enkele maanden later in bij de Karmel van Lisieux. Zij wordt "de grootste heilige van de moderne tijden" (Pius X).

 

THOMAS A KEMPIS  (1379 ? -1471) Geboren te noorden van Keulen, bregt Thomas zijn jeugd door in Deventer, de bakermat van de “Moderne devotie”.  Ingetreden rond 1400 bij de Reguliere Kanunniken van de Agnetenberg. Het is als novicemeester dat hij  duizenden bladzijden meditaties en inwendige pedagogie op schrift.

 

 

 

 

     " Zeer lieve zusters en broeders, die lijdt in uw geest en in uw lichaam, geeft niet toe aan de bekoring om de pijn te beschouwen als een puur negatieve ervaring, zodat gij zoudt twijfelen aan Gods goedheid. In de lijdende Christus vindt iedere zieke de betekenis van zijn eigen lijden.

 

     Allerliefste Zieken, uw zending is een zending van grote waarde voor de Kerk en voor de maatschappij. Gij, die de last van het lijden draagt, bevindt u op de eerste rij bij degenen die God liefheeft. Zoals aan al degenen die Hij ontmoette op de wegen van Palestina, heeft Jezus u zijn blik vol tederheid geschonken, zijn liefde zal u nooit verlaten."

 

                                Johannes-Paulus II, voor de Ziekendag.