DE  KRUISWEG

 

In  de leer bij de  Heiligen

 

* Oorspronkelijke uitgave :                            Chemin de Croix à l’école des Saints

                                                                       Centre St. Jean de la Croix

                                                                                 F-36230  Mers-sur-Indre (Frankrijk)

 

Auteur : Abbé Max Huot de Longchamp

 

Vertaling : Hilaire Mestdag, Waregem

                                                                      

 

    Hoe kan men de praktijk van de Kruisweg in de parochies ver­nieuwen ?  In iedere parochie komt die vraag elk jaar terug. Wij stellen voor om langs dit godvruchtig gebruik de beste chris­telijke traditie te leren kennen.

    In de geest van "de Vasten in de leer bij de Heiligen" stelt deze kruisweg korte teksten voor, die bij de diepe betekenis van elke statie aansluiten, en zo opgezet dat zij een korte stille meditatie toelaten, zowel privé als publiek, thuis of in kerk of kapel. Elke tekst voorziet zowat 3 minuten per statie.

 

 

EERSTE  STATIE  :  JEZUS  WORDT  TER  DOOD  VEROORDEELD.

 

   O Liefde ! Deze heel schuldeloze, teerbeminde Jezus, ver­oor­deeld omwille van de liefde tot mij van mijn Geliefde, voor mij ten dode overgeleverd.  Dat ik uw liefde moge ontvangen als borg voor mijn oordeel, o Gij, mijn zo geliefde Liefste.

   Allerzoetste Jezus, beminnelijke borg voor mijn verlossing, kom met mij mee naar mijn oordeel.  Wij zullen ons samen voor­stellen. Wees Gij mijn rechter èn mijn voorspreker.  Vertel wat Gij voor mij geworden zijt, al het goede dat Gij voor mij hebt gewild, de prijs waarvoor Gij mij hebt gekocht, opdat ik zo door U zou gerechtvaardigd worden.

   Gijzelf, Gij hebt voor mij geleefd, opdat ik niet ten onder zou gaan, niet voor eeuwig zou sterven. Gij hebt mijn zonden gedragen, Gij zijt voor mij gestorven, opdat ik niet voor eeuwig zou sterven. Gij, ja Gijzelf hebt mij alles gebracht wat het uwe was, opdat ik rijk zou zijn  aan verdiensten.

   Oordeel mij dan, in het uur van de dood, naar die onschuld en die zuiverheid die Gij mij met Uzelf hebt gebracht, toen Gij heel mijn schuld hebt betaald, terwijl Gij toch om mij­nentwil werd berecht en veroordeeld, zodat, waar ik arm en miserabel ben uit mijzelf, ik dank zij U rijk ben aan alles.

           H. Gertudis van Helfta (1256-1302), Oefening VII

  

 

TWEEDE  STATIE  :  JEZUS WORDT  MET  HET  KRUIS  BELADEN.

 

   Er zijn er, die om kruisen vragen, en het schijnt hun nooit toe dat Jezus er hun genoeg zal geven voor hun vurig­heid.  Ik voor mij, vraag er geen, ik verlang alleen om mij klaar te houden om die te dragen die zijn goedheid mij wil geven, zo geduldig en zo nederig mogelijk.

   ... Wel, ik zou liever een klein strooien kruis dragen dat men mij oplegde zonder mijn keuze, dan dat ikzelf er met veel arbeid in een bos een groot zou gaan uitkappen, en dat daarna met veel moeite zou dragen.  En ik zou geloven, zoals het in waarheid zou zijn, dat ik God veel aangenamer zou zijn met het strooien kruis, dan met dat welk ik mijzelf zou hebben ge­maakt met meer moeite en zweet, omdat ik dat zware met meer voldoe­ning zou dragen uit eigenliefde, die graag zulke dingen uit­vindt, maar zich weinig laat leiden en besturen, in alle eenvoud,  wat ik u het meeste toewens.

     H. Franc. v. Sales (1567-1622), Waarachtig geestelijk Onder­houd

2

 

DERDE  STATIE  :  JEZUS  VALT  VOOR  DE  EERSTE  MAAL.

 

   Wij moeten in deze wereld alle lijden en verdriet met evenveel devotie onthalen als wij zouden doen voor een stuk van het echte Kruis, dat ons zou toegezonden zijn uit Rome door onze heilige Vader de Paus. Daardoor kunnen wij zien hoe alle lijden, hoe klein ook, een deelname is aan het kruis van Jezus Christus. En als zodanig moeten wij ernaar verlangen om ons met God te verenigen, meer dan alle vertroostingen, die ons dikwijls van Hem scheiden.

   Daarom moeten wij het kleine leed niet schuwen noch laten vallen, want het zijn kruimels van het brood, door het lijden gewijd, en die ons komen van die tafel van Jezus Christus,  zijn kruis, tot voedsel voor de armen, uitgehongerd door hun Godsver­lan­gen,   het zijn druppels bloed van het gastmaal van het Lam, vergoten om de verliefde, kwijnende vurigheid van de serafijn­se zielen te laven, die tot devies hebben "Of lijden, of sterven." Zij zullen ze als kostbare stenen ontvan­gen, die hen zullen dienen om kronen te maken, die God aange­namer zijn dan ieder andere godvruchtige oefening.

  Martial d'Etampes (1575-1635), Oefening der 3 Nagels, IV,5

 

 

 

VIERDE  STATIE  :  JEZUS ONTMOET ZIJN MOEDER.

 

    "Ik ben niet gekomen om de vrede te brengen, maar het zwaard", zegt de Verlosser. De liefde van Christus is een uitgelezen pijl, die zich niet alleen in de ziel van Maria heeft geplant, maar die het heeft doorboord, opdat geen deel­tje van haar maagdelijk hart zou ledig blijven van liefde, maar opdat zij zou beminnen met heel haar hart, met heel haar ziel, en met al haar krachten, en zij vol van genade zij. Ja, haar hart werd doorboord, opdat

die liefde ons  zou toekomen, en wij allen zouden delen in haar volheid.

    Maria heeft in heel haar wezen een diepe en zoete wonde van liefde gekregen, en wat zou ik mij gelukkig achten indien ik slechts van tijd tot tijd een prikje van de punt van dit zwaard zou voelen, en indien mijn ziel, al was het maar enigs­zins,  door die wonde van liefde geraakt was, dan ook kon roepen: "Gekwetst ben ik door de pijlen van de liefde." Dat  zal mij verlenen, dat ik niet enkel alzo gekwetst ben, maar getroffen te zijn tot de vernietiging toe van de kleur en de warmte van de vijand die mijn ziel bevecht.

          St. Bernardus (1090-1153), Sermoen 29 o.h. Hooglied, 8

 

 

 

VIJFDE  STATIE  : 

SIMON  VAN  CYRENE  HELPT  JEZUS  HET  KRUIS  TE  DRAGEN.

  

   Jezus vindt veel liefhebbers van zijn hemels rijk, maar weinig dragers voor zijn kruis.

   Hij vindt veel genoten voor zijn tafel, maar weinig voor zijn vasten.

   Allen willen de vreugde met Christus, maar weinigen willen voor Hem iets lijden.

   Velen volgen Christus tot aan het breken van het brood, maar weinigen tot aan het ledigen van de kelk van het Lijden.

   Velen vereren zijn mirakelen, maar weinigen volgen Hem tot in de schande van het kruis.

   Velen beminnen Jezus, zolang hen geen moeilijkheid overkomt.

   Velen loven en zegenen Hem, zolang zij van Hem enige ver­troosting ontvangen, maar van zodra Hij zich verbergt en ze een weinig aan hen zelf overlaat, daar vervallen zij in eisen en overdreven neerslachtigheid.

   Maar zij, die Jezus om Hemzelf beminnen, en niet om enige persoonlijke vertroosting, loven en zegenen Hem in de verwarring en de angst van hun ziel, evengoed als in de grootste vertroosting.

         Thomas à Kempis (1379-1471), Navolging van Christus, II,11   

 

 

 

 

4

 

ZESDE  STATIE  :  VERONICA  DROOGT  HET  GELAAT  VAN  JEZUS  AF.

  

   Ik zoek uw aanschijn, uw aanschijn zoek ik Heer. En nu, Heer mijn God, leer mijn hart waar en hoe U te zoeken, waar en hoe U te vinden.

   Ik ben geschapen om U te zien, en ik heb nog niet gedaan waartoe ik geschapen ben, Heer, en nooit heb ik U gezien. Tot wanneer, Heer, zult Gij ons vergeten, hoe lang nog uw gelaat afwenden ?  Wanneer zult Gij ons aanzien en verhoren ?  Wanneer zult Gij onze ogen verlichten en ons uw gelaat tonen ?

   Leer mij U te zoeken, toon U aan mij, die U zoekt, want ik kan U niet zoeken tenzij Gij het mij leert, noch U vinden indien Gij U niet vertoont. Moge ik u zoeken in verlangen, moge ik naar U verlangen in mijn zoeken, moge ik U in liefde vinden en U vindend, beminnen !

             H. Anselm v. Canterbury (1033-1109), Proslogion I

 

 

 

 

ZEVENDE  STATIE  :  JEZUS  VALT  VOOR  DE  TWEEDE  MAAL.

 

   In onze geestelijke geboorte waakt Jezus over ons met oneindige tederheid. Als wij vallen, richt Hij ons terstond weer op, Hij roept ons zachtjes en raakt ons sierlijk aan. Gesterkt door zijn zachte werkwijze kiezen wij dan vrij­willig voor Hem, door zijn tedere genade, om voor altijd zijn die­naars en zijn minnaars te zijn.

   Daarna laat Hij soms toe dat wij harder vallen en erger dan voorheen, zo lijkt het ons. Dan verbeeldt men zich, zeer ten onrechte, dat alles verloren is van wat wij begonnen zijn. Helemaal niet !  Het is dat wij moèten vallen en het zien, anders wisten wij niet hoe zwak wij zijn en ellendig uit onszelf, en wij zouden ook niet ten volle de wonderbare liefde kennen van Hem die ons geschapen heeft.

 H. Julienne van Norwich (rond 1343-1413), Openbaring van de goddelijke Liefde, 61

 

 

 

ACHTSTE  STATIE  :

JEZUS  ONTMOET  DE  WENENDE  VROUWEN  VAN  JERUZALEM.

 

   Dat zij die ver van U zijn zich toch omkeren en U zoeken !  Want als zij hun Schepper hebben verlaten, Gij hebt uw schepsel niet in de steek gelaten !  Moge zijn schepsel zich omkeren, want zie, Hij is in zijn hart, in het hart van wie U belijden en zich in uw armen werpen, en die wenen aan uw borst, wanneer zij weerkeren van hun pijnlijke dwaalwegen.  En zonder te redetwisten droogt Gij hun tranen, en zij wenen des te meer, en vinden hun vreugde in die tranen; want het is geen mens van vlees en bloed, maar Gijzelf, Heer, die ze troost, Gij die ze

hebt geschapen, en opnieuw herschept.

   En waar was ik dan, toen ik U zocht ?  Terwijl Gij vòòr mij stond, was ik ver van mijzelf, en ik vond mijzelf niet... en U nog minder!

   St. Augustinus (354-430), Belijdenissen, V,2

 

 

 

NEGENDE  STATIE  :  JEZUS  VALT  VOOR  DE  DERDE  MAAL.

 

   Het is zeker, gij moet u totaal aan God overgeven, zonder weerhouden, zonder einde, zonder grenzen. Maar wat gedaan, zult gij zeggen, wanneer gij zelfs de daad van overgave niet kunt stellen ?  Die overgave zelf opgeven, door het eenvoudige fiat.  Dat wordt dan volmaakste overgave ...  God laat bijna altijd toe dat dit soort pijn aan de ziel de indruk geven nooit te zullen eindigen. Waarom ?  Om de ziel daardoor de kans te geven om zich vollediger, zonder einde, zonder grenzen, zonder maat over te geven.  Want dààrin bestaat de zuivere liefde.

               Jean-Pierre de Caussade (1675-1751), brief 56

5

 

TIENDE  STATIE  :  JEZUS  WORDT  VAN  ZIJN  KLEDEREN  BEROOFD.

 

   Wat was de eerste mens in zijn eerste leven ?  Hij was naakt, ontbeerde elk kledingstuk uit dode vellen, hij bezag met vrije vrankheid het aangezicht van God, en hij oordeelde nog niet over het goede naar de smaak en het uitzicht, maar hij vond zijn enige genoegen in de Heer.

              H. Gregorius van Nazianze (rond 330-394), Over de Maagdelijk­heid, 12,4

 

   Vandaar,

   Dat uw inspanningen, uw gebeden, uw verlangens geen ander voorwerp hebben dan ontkleed te zijn van elk eigenbelang, Christus naakt te volgen, aan uzelf te sterven, om voor Mij alleen te leven.

Thomas à Kempis (1379-1471), Navolging van Christus, III,37

 

   Daartoe :

   Onze ziel moet geheel ontdaan zijn en heel naakt staan voor God,  niets meer hebbend, niets meer verlangend, niets zoekend dan alleen Hem, die heel ons leven moet zijn, en de beweegre­den van al de bewogenheden van onze ziel.

   Hoe meer uw ziel zal ontdaan zijn van genietingen, zo natuurlijke als bovennatuurlijke, hoe beter zij zal bekwaam zijn tot een volmaakte vereniging met God.  Zolang zij nog verlangens en wil heeft, zal uw vereniging met God niet waar­achtig en volmaakt kunnen zijn.

    Frans Liebermann (1802-1852), Brieven 11.09. en 23­.09.1834

 

 

ELFDE  STATIE  :  JEZUS  WORDT  AAN  HET  KRUIS  GENAGELD.

 

    De bewogenheid en de neiging van het hart moeten ons altijd leiden naar de kant van het Kruis.  Indien gij dan  met uzelf inzit, indien gij uzelf wilt sterken, de echte vertroosting verkrijgen en vooruitgaan, waak er dan

over af te dalen, dat is te gaan naar wat bij het kruis behoort.

    Zoeken wij eerst de kracht van de gekruisigde Christus, en daarna die van de zegevierende Christus, en niet omgekeerd.  Die kracht bestond erin dat Hij zich uit eigen beweging aan het kruis en het lijden overgaf, naar de wil van zijn vijan­den. Door die kracht vernietigt Hij de dood die zich in ons vestigde en nog vestigt, dank zij de vrees voor het lijden en de dood.

    Wanneer gij zult gestorven zijn door de dood op het kruis, en in het openbaar, wanneer gij ook zult begraven zijn, uit het geheugen, uit het zicht, uit de bewondering, de vermoedens, het misprijzen of de verwachtingen van alle mensen, dan zal het u gegeven zijn om tenminste het verlangen te hebben naar, en de funderingen te leggen voor een nieuwe vorm van vertroosting voor uw geest, en zo zult gij de ondervinding opdoen van een ander leven, door de verrijzenis van het lichaam, de ziel en de geest.

   Zal. P. Favre (1506-1546), Memoriaal 2-3.1 en 26.03.1­543

 

 

 

TWAALFDE  STARIE :  JEZUS  STERFT  AAN  HET  KRUIS.

 

    Men zoekt tevergeefs rust buiten God. De rust kan alleen te vinden zijn, en is enkel in God, in God alleen te vinden... Zolang de ziel denkt te weten waar zij staat, verliest zij zichzelf niet; Heeft zij steunpunten. Wanneer begint zij zich in God te verlie­zen ?  Dat is wanneer zij niets tastbaars meer heeft, wanneer zij in haar binnenste niets meer ziet, zich niet meer veroor­looft ernaar om te zien, en zij geen enkele bedenking meer maakt over zichzelf, en overgegeven blijft aan Gods leiding.

    God geleidt haar bij trappen op die weg van verlies, en voert haar door dit gevoelloze inwendig gebed tot zij geen enkele hulpbron meer heeft,  noch in zichzelf noch in iemand anders, en haar vertrouwen alleen in God stelt, en zegt zoals Jezus Christus aan het kruis, verlaten door de mensen, en schijnbaar door zijn Vader : “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. Ik leg die er voor al wat het U gehaagt met Mij te doen, in tijd en eeuwigheid”.

  J.-Niklaas Grou (1731-1803), Handboek der Ingekeerde Zielen

6

 

DERTIENDE  STATIE :  JEZUS  WORDT  VAN  HET  KRUIS  AFGEHAALD.

 

   O Liefde, die alles doet smelten, in welke staat hebt gij onze Vriend, tot ons losgeld, gelaten ?  Opdat de zondvloed van liefde alles zou onderzetten, hebben de grote afgronden hun dijken doorbroken, ik wil zeggen de afgronden van Jezus' hart;  De wrede lans is dwarsdoor doorgedrongen, zonder iets te sparen. De zijwonde laat ons de liefde kennen van Jezus' hart tot aan zijn dood toe, en nodigt ons uit om op te gaan naar die onuitsprekelijke liefde die Hem naar ons heeft gevoerd.

    Laten wij dan tot zijn Hart gaan, dit diepe Hart, dit geheimvolle Hart, dit Hart dat overal aan denkt, dit Hart dat alles weet, dit Hart dat bemint, of beter dat brandt van liefde. De deur staat open. Laten wij van daar uit de hevigheid van zijn liefde begrijpen. En laten we,  met een hart, gelijkvormig aan het zijne, dan binnen gaan in dit geheim, tot dan toe verbor­gen, maar om zo te zeggen bij zijn dood ontsluierd, door de opening van zijn zijde.

                  H. Bernard van Siena (1380-1444), Sermoen 51

 

 

 

VEERTIENDE  STATIE  :  JEZUS  WORDT  IN  HET  GRAF  GELEGD.

 

    Daar Jezus door alle staten van het menselij­ke, sterfelijke leven heeft willen gaan, om er zijn eeuwige Vader in te eren, en ze te zegenen en voor ons te heiligen, is het nu passend dat wij Hem aanbidden in de staat van dood, waarin Hij drie dagen is geweest, en Hem de staat toewijden waarin wij moeten zijn vanaf het laatste ogenblik van ons leven tot aan de dag der verrijzenis...

 

    Ter ere van, en in eenheid met dezelfde liefde, waardoor Gij, o goede Jezus, hebt gewild dat uw allerheiligste lichaam in de aarde heeft gelegen, geef ik zeer graag mijn lichaam aan de aarde en de aardwormen, en stem ermee in dat het tot stof en as wordt herleid. Maar onder voorwaarde, als het U belieft, o mijn Redder, dat alle stofdeeltjes waartoe mijn vlees en mijn beenderen zullen vergaan, zijn zoals zovele tongen en talen die voortdurend het aanbiddelijk mysterie van uw graf­legging loven en verheerlijken, en ik zo mag zingen: "Al mijn beenderen zullen zeggen : Heer, wie is aan U gelijk?"

        H. Jan Eudes (1601-1680), Jezus' Leven en Rijk, VII,28

 

 

 

 

 

GEBRUIKSAANWIJZING.

 

   "Wie Mij wil volgen, verloochene zichzelf, hij neme zijn kruis op en volge Mij", zegt Jezus ons. De kruisweg is er om ons te helpen om die uitnodiging te verinnerlijken en te beantwoorden, met name op op de Vrijdagen

en tijdens de vas­ten.

   De praktijk van de kruisweg vindt zjn oorsprong in de bedevaarten van het einde der Middeleeuwen naar Jerusalem.  De gelovige zette zijn stappen in die van Jezus, en overdeed traag het traject van de Passie, terwijl hij de stappen - de "Stati­es" - één voor één overwoog.  Onder meer onder invloed van de franciscaner familie werd de Kruisweg ingevoerd in het Westen als een soort gereduceerde bedevaart.  De gelovigen stelden binnen de kerk de processie van Jerusalem voor, met haar zangen, historische herinneringen en momenten van overweging.

   Door de eeuwen en de landen heen heeft de kruisweg velerlei varianten gekend, maar de meest gewone vorm is sedert eeuwen die van de veertien staties, voorgesteld aan de wanden van onze kerken.

   De gelovigen hebben de ruimste vrijheid om hun eigen kruis­weg te organiseren, in de kerk, thuis of eender waar. "In de Leer bij de Heiligen" biedt ons per statie één tekst, ontleend aan de grote auteurs van de geestelijke christelijke traditie. Voor een openbare praktijk van deze kruisweg, raden wij aan de voordracht van deze teksten bijzonder te verzorgen, en die te laten volgen door twee minuten stille overweging.

   Centre St-Jean-de-la-Croix, Courtioux, Mers-sur-Indre, FR.